PARASHAT WAJECHI

En hij leefde (Genesis 47:28 – 50:26)

Ja’akov zei tegen Joséf “aasieta imaadie chessed we’emet, bewijs mij een ware liefdesdienst”(47,29); hij beschrijft de liefdesdienst als een “ware liefdesdienst”, omdat het uitvoeren van een daad als deze, voor een persoon die heengaat, aan de uitvoerder geen beloning in het vooruitzicht stelt.
Vele verklaarders opperen dat Joséf de beloning reeds had ontvangen, van deze liefdesdienst, voordat hij de eigenlijke daad had uitgevoerd. Had zijn vader niet beloofd dat Efrajim en Menashé, Joséf’s twee zonen, elk een deel zouden erven van het Land Israël, net zoals Ja’akov’s eigen zonen? (48,5,6)
Hoe kunnen wij überhaupt spreken van een ware liefdesdienst? Niet alleen gaf Ja’akov speciale zegeningen aan Joséf’s kinderen [wat niet eerder is vastgelegd of heeft plaatsgevonden met andere kleinkinderen], hij wees ook, aan het stamterritorium van Joséf, de stad Shechem toe. Vanuit dit standpunt gezien, kan men dan spreken over een daad van chessed we’emet, een totale onbaatzuchtige daad van liefde?
Op het moment dat Ja’akov Joséf verzocht om hem in het Land Israël te begraven, deed hij geen enkele belofte van beloning aan Joséf. Evenmin benutte hij de gelegenheid om zich te verontschuldigen voor het feit dat hij zijn moeder had begraven op een verlaten plek, in plaats van de Machpela, de begraafplaats van Ja’akov’s voorvaderen. Door zich te onthouden van enige beloften of verontschuldigingen verzekerde Ja’akov dat Joséf de verdienste zou krijgen voor het doen van oegmiloet chasaadiem naasten liefde, die totaal onbaatzuchtig was.
Zodra Joséf zijn vader had beloofd (47,30) om hem te begraven in het Land Israël, en dit had bezworen door het afleggen van een eed (47,31), zette Ja’akov dit in de volgende gebeurtenis uiteen, [zoals de woorden getuigen, “wajehi acharee hadewariem haélè” “nadat dit gebeurd was”(48,1)], waarom hij Rachel daar op die plaats had begraven en dat Joséf in het Land Israël zou erven zoals een eerstgeborene zal erven, etc. Dit alles vond plaats nadat Ja’akov ziek was geworden.

We moeten proberen te begrijpen waarom Ja’akov zo bezorgd was over het feit waar hij begraven zou worden en waarom hij Joséf liet zweren een eed afteleggen.
Toen Avraham Eliëzer liet zweren (Gen.24,2) dat hij Jitschak niet terug naar Charan zou sturen, door middel van zijn hand op het orgaan waarop besnijdenis was toegepast, was dit, omdat het orgaan het symbool was geworden van het verbond met G’D. (24,3)
Akkoord, misschien was er toen een goede reden voor Avraham om deze methode aan te wenden, maar waarom deed Jákov hetzelfde verzoek aan Joséf om zijn hand te plaatsen op zijn vaders orgaan? (47,29)
Waarom maakte Joséf geen gebruik van deze zelfde symbolische eed toen hij zijn broers liet zweren dat zij zijn stoffelijke resten mee zouden voeren bij de uittocht van Egypte? (50,25)

Ja’akov liet Joséf zweren vanwege zijn eigen oorsprong, aangezien Joséf de beriet, het verbond, met G’D symboliseert. Het plaatsen van zijn hand op zijn vaders orgaan was niet symbolisch voor het verbond van besnijdenis, maar voor de beriet haeljon, het verbond tussen G’D en mens, die de existentie en continuatie verzekert van het universum.
In die context representeert het woord jareeg, dij of heup, de zetel van de voortplantingsactiviteit, de oorsprong van de fysieke mens, en niet slechts zijn heiliging door besnijdenis. Toen Joséf zijn broers liet zweren, liet hij hun slechts zweren op zijn eigen miedaa (zijn wezenlijke eigenschap), niet in zijn capaciteit als symbool van iets hogers.

Aangezien Joséf zichzelf beschouwde als een “verlenging”, een pijpleiding van het domein van zijn vader, hij verzekerde zich slechts ervan dat zijn beenderen zouden worden weggevoerd van erets mitsrajiem Egypte, het laagste niveau op aarde, naar het “laagste niveau van Heichel Hashem het Heiligdom, het Land Israël.
Het is precies omdat Joséf de pijpleiding was tussen het erets aljonaa, het equivalent van de aarde in de Hemelse Regionen, dat Ja’akov Joséf’s kinderen zegende door zich te beroepen op hun vader.
Dit is de betekenis van “wajewaarech et Joséf” “Hij zegende Joséf” (48,15), vóór de zin “Hamalach hagoeel otie mikol raa jewaareeg et-haneriem……de Engel, die mij van alle kwaad verloste, die zegene de jongens en moge door hen mijn naam en die van mijn voorouders, Avraham en Jitschak genoemd worden en mogen zij als de vissen zich vermeerderen, in grote menigte in het Land.”

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie