PARASHAT WAJAKHEEL- POEKOEDÉ

Rabbi Jitzschak Luria

Van de geschriften van de Ari, Sha’ar HaPesoekiem

Wetend waar je behoort

Het Thoragedeelte van verleden week, Ki Tiessá, beschrijft het beruchte incident van het Gouden Kalf. De Arizal ziet het begin van het Torahgedeelte van deze week als terugverwijzing naar dat incident en beschrijft de wijze waarop het Joodse Volk haar spirituele status kon herstellen naar hoe die was vóór het incident.

Ons werd onderwezen dat, hoewel de meerderheid van het Joodse Volk het Gouden Kalf aanbad, de instigators van dit incident niet de Joden zelf waren, maar de „gemengde menigte“ die met hen uit Egypte trokken (Exodus 12:35). Deze waren de eerste bekeerlingen van het Joodse Volk.

Wanneer een niet Jood er naar streeft om over te gaan naar het Jodendom en geaccepteerd wordt als een deel van het Joodse Volk, houdt de rabbi of het rabbijns gerechtshof toezicht op dit proces om zeker te zijn dat zijn/haar motieven zuiver zijn en dat hij/zij niet probeert over te gaan met andere bedoelingen. Het was om die reden dat tijdens de regeringsperiode van Koning Solomon geen bekeerlingen werden geaccepteerd en niet zullen worden geaccepteerd wanneer eenmaal Mashiach is gekomen: Wanneer het Joodse Volk materieel welvarend zal zijn, zoals zij waren tijdens de regeringsperiode van Koning Solomon en zoals zij zullen zijn in de Messiaanse Era, dan is het namelijk onmogelijk om vast te stellen of de motieven van een toekomstige bekeerling puur zijn.

Evenzo is, de “ gemengde menigte” van niet Joden die zich verenigde met het Joodse Volk toen zij Egypte verlieten, een klassiek voorbeeld van onoprechte opportunistische bekering. Want zij waren getuigen van de Tien Plagen (die plaats vonden over een periode van een jaar), het is niet moeilijk voor te stellen dat zij aan de kant van het Joodse Volk stonden eerder vanuit een algemeen menselijke zwakte voor macht en succes, dan vanuit een oprechte toewijding aan waarheid tot elke prijs.

Dus toen het onaangenaam begon te worden, kwam de zwakheid van deze betrokken mensen aan het licht en zochten zij naar hulp. Mozes kwam niet terug van de berg, het volk bleef achter zonder leider, zonder iemand die een intermediair was tussen hen en G’D. Het antwoord was voor de hand liggend voor deze gemengde menigte, die slechts kort geleden afstand had gedaan van hun oude afgodische godsdiensten om de Joden te kunnen vergezellen: “En het volk dat merkte dat Mozes talmde om van de berg te komen, liep tegen Aaron te hoop en ze zeiden tegen hem: “Kom maak een god voor ons die ons kan voorgaan, want deze man Mozes die ons uit Egypte heeft gevoerd…. Wij weten niet wat van hem geworden is!” …..Dus [Aaron] nam het goud van hen ….en gaf er vorm aan en maakte er een gegoten kalf van; en ze zeiden : “Dezen zijn jullie goden, O’ Israël die jullie uit Egypte hebben gevoerd. “” (Exodus. 32: 1-4) Merk op dat de makers van het Gouden Kalf Israël aanspreken in de tweede persoon, betekenend dat zij zichzelf niet beschouwden als behorend tot het oorspronkelijke Joodse Volk.

Aangezien Mozes en de generatie van de woestijn op het [spirituele] niveau van Yesod Abba waren, moest Mozes hen bijeenbrengen zodat zij konden terugkeren naar hun oorsprong en een deel van hem konden worden. Op deze manier [heelde hij hen] van de misstap van ´ liep het tegen Aaron te hoop” liet op hen het licht van heiligheid schijnen en wiste zo de onreinheid van [het dienen] van het [Gouden] Kalf voor hen uit.

Vanwege het feit dat de generatie van de Exodus de leerlingen waren van Mozes en de originele ontvangers, werden zij evenzo verheven tot dit diepgaande niveau van bewustzijn. Aldus wordt in de Talmoed gerefereerd aan deze generatie als de “generatie van kennis”.

In het Judaïsme wordt zonde gedefinieerd als iets dat in bepaald opzicht iemands bewustzijn van G’D degenereert of vervormt. Er zijn natuurlijk vele niveaus, variërend van de subtiele “onschuldige” zonden zoals doen waar je zin in hebt van gepermitteerde genoegens ( glatt koshere chocola) tot de door en door openlijke zonden waarop serieuze bestraffingen staan. Het gemeenschappelijke kenmerk echter is dat in meerdere of mindere mate zij allen worden overweldigd door “tijdelijke misvatting” dat G’D het niet erg vind of het over het hoofd ziet. De wet van inertie dicteert dat onschadelijke overtredingen geleidelijk verworden tot regelrechte zonden.

Dit was het geval met de zonde van het Gouden Kalf. Ondanks hun intens bewustzijn van G’D’s realiteit in hun leven en juist omwille van deze realiteit, besefte deze generatie dat er iemand moet zijn zoals Mozes, die kan dienen als een kanaal tussen hen en G’D’s boodschappen. Toen hij niet terugkeerde van de berg op de vastgestelde tijd, was de gedachte om te continueren zonder zo’n medium onverdraaglijk. In plaats van zich te verlaten op G’D’s voorzienigheid, verlieten zij zich op hun eigen oordeel ( zij hadden een onjuiste berekening gemaakt van Mozes terugkeer van de berg). Het subtiele gebrek aan vertrouwen ontaardde volledig in een afgodische zonde, aangezien zij beide verschillende gradaties van ontkenning van G’D’s aanwezigheid zijn in iemands leven.

Dus door het plegen van de zonde van het Gouden Kalf, viel het Joodse Volk van hun vorige staat van bewustzijn, Yesod Abba. In plaats van hun vermogen van Yesod, te gebruiken om de wijsheid van de Thora en, het besef van G’D in deze wereld te brengen en te kanaliseren, gebruikte zij Yesod om “te hoop te lopen tegen Aaron” en dwongen zij hem om een afgod voort te brengen, een proclamatie dat G’D afstand heeft gedaan van Zijn betrokkenheid met de wereld ten gunste van ondergeschikte krachten. In hun gedachten, werd de G’ddelijke boodschap niet langer geconcentreerd en gekanaliseerd door Mozes, maar geheel verspreid over de krachten van de natuur, waardoor het nu noodzakelijk werd om die te eren en over te halen om te mogen dienen, voor het waarnemen van de verhulde spiritualiteit.

Zoals we eerder hebben uitgelegd, is Abba de naam van de partzoef (een volledige serie van Sefirot) die voortkomt uit de Sefira van Chochma. Chochma is in het algemeen het fundamentele inzicht of de wijsheid van de Schepping, met andere woorden, de Thora, die G’D gebruikte als Zijn “blueprint” voor het creëren van de wereld. Elk nieuw inzicht dat een persoon ontvangt betreffende een of ander aspect van de realiteit is, in zijn waarlijk pure vorm, een inzicht in de Thora. Mozes, die het menselijke kanaal was waardoor G’D de Thora aan de wereld gaf, personifieert en belichaamt dus dit spirituele niveau.

En in het bijzonder, zegt de Arizal, personifieert hij de sub- sefira van Yesod van Abba. Yesod is de sefira van verbinding en overbrenging; al de voorgaande sefirot vloeien samen in Yesod en worden er door gekanaliseerd. In de gelijkenis die bestaat tussen de sefirot en het lichaam, correspondeert Yesod met de voortplantingsorganen.

Deze nadrukkelijke samenvloeiing is de oorsprong van sexuele zonde, door welk een persoon zij creatieve krachten in vele richtingen verspreidt in plaats van het te concentreren in één gewijd kanaal. In plaats van zijn creativiteit te gebruiken voor het bouwen en sterken van een familie, een achtergrond door welk het bewustzijn van G’ddelijkheid kan worden vergroot en vermeerderd in deze wereld, verspreidt hij het in de natuur, gevolgd door de teleurstelling aangeboden door de tijdelijke opwinding. Zo wordt ons dus onderwezen dat de verering van het Gouden Kalf niet alleen idolatrie maar ook orgie is. De heling natuurlijk moet er nadrukkelijk op gericht zijn om de spirituele focus terug te brengen naar waar die hoort, naar Mozes, het legitieme kanaal voor G’ddelijke energie en wijsheid in de Schepping.

Dus staat er geschreven, “En verzamelde de gehele gemeenschap”(Exodus.35:1) Het woord voor “gemeenschap” [in het Hebreeuws, “adat”] kan worden herschikt tot het woord “kennis” [in het Hebreeuws, “daat”].

Door zich te focussen op Mozes en het licht te zoeken van de Thora, bracht het Joodse Volk haar kennis van G’D terug in haar gepaste vorm. Dit wordt aangegeven door het feit dat de woorden voor “gemeenschap” en “kennis” exact de zelfde letters bevatten, alleen in een andere volgorde.

Bovendien hebben de woorden voor “gemengde menigte” [in het Hebreeuws, “erev rav” ook de zelfde numerieke waarde als het woord voor [“daat”]. Dit omdat zij ook dit [sublieme] aspect van G’ddelijkheid bezitten, hoewel enkel de residu’s.

Omdat zij eveneens de zonde van het Gouden Kalf begingen door samen te komen tegen Aaron, zoals staat geschreven “en het volk verzamelde zich rond Aaron”, benodigde zij een andere, [heilige] gemeenschap om hen te rectificeren, zoals staat geschreven: “En Mozes verzamelde de gehele gemeenschap”.

Aan de ene kant, ervoer de gemende menigte de G’ddelijke mirakels in Egypte en de G’ddelijke voorzienigheid toe het Joodse Volk had begeleid gedurende de daarop volgende drie maanden*, met als resultaat dat zij enigszins een bewustzijn hadden bereikt dat gegeven was aan het volk. Aan de andere kant konden zij, omdat hun motieven niet zuiver waren, niet volledig assimileren met het Joodse Volk zelf.

*De Exodus vond plaats op de 15e van de maand Nissan; de zonde van het Gouden Kalf gebeurde op de 16e van de maand Tamoez.]

Bovendien, aangezien zij zondigde door het woord “dezen” te gebruiken, zoals zij zeiden: “Dezen zijn jullie goden, O’Israël”, het tegenovergestelde [en heilige gebruik van dit woord] werd aangewend om hen te rectificeren toen [Mozes] zei [in de huidige context]: “Dit zijn de…… “

We zouden hebben verwacht dat de gemengde menigte tegen het Joodse Volk zou zeggen “dit is jullie god, O’Israël”, aangezien per slot van rekening er maar één kalf was. Het feit dat zij verkozen om hun bewering in de meervoudsvorm uit te drukken betekende, dat hun degenererende intentie zo groot was “dat zij er naar verlangden een menigte van goden te dienen”. (Rashi op Exodus. 32:1) Om deze aberratie te rectificeren moest de zelfde term worden gebruikt om hen terug te focussen in de gepaste oorsprong van spiritueel licht van Thora.

Aangezien iemand die afgoden dient wordt beschouwd als of hij de hele Thora heeft verloochend, gaf [Mozes] hen het bevel aangaande twee dingen die als gelijkwaardig aan de hele Thora worden beschouwd. [De eerste was] Shabbat, want een persoon die de Shabbat in acht neemt wordt beschouwd als of hij de hele Thora naleeft.

En zoals als we zeiden is idolatrie de bewering dat G’D ofwel niet bestaat ofwel Zijn macht heeft gedelegeerd aan ondergeschikten en geen directe betrokkenheid meer heeft met de wereld. Dus idolatrie is een duidelijke ontkenning van de boodschap van de Thora, welke exact het tegenovergestelde is: dat G’D existeert en dat Hij zeer intiem zorg draagt voor wat in de wereld omgaat.

Door het houden van Shabbat, verklaart de Jood dat G’D de wereld heeft geschapen. Door te rusten van werk stelt in de eerste plaats hij de Shabbat weer in, toen G’D ophield met het werk van de Schepping. Ten tweede, door het werk te laten rusten spreekt hij zijn vertrouwen uit dat G’D de wereld beheert en kan voorzien in zijn noden alhoewel hij niet de hele week werkt. Zoals bekend beschouwde de Romeinen de Joden als lui en traag vanwege het nemen van een vrije dag eenmaal per week.

[De tweede was] de constructie van het Tabernakel.

Het Tabernakel, de draagbare Tempel die het Joodse Volk construeerde en met zich mee droegen, was het instrument waardoor G’D’s aanwezigheid terugkeerde en in hun bewustzijn bleef. Zoals de Thora het uitdrukt: “Zij zullen Mij een heiligdom maken, opdat Ik te midden van[en in] hen kan verblijven”(Exodus. 25:8). Aangezien het Tabernakel het doel volbrengt van de Thora in het algemeen, de vestiging van een verblijfplaats voor G’D in deze wereld en in de mens zelf, werd zijn constructie ook als equivalent beschouwd aan de verwekelijking van de gehele Thora. Wat de Shabbat volbrengt in tijd, bereikt de Tempel in ruimte; Shabbat is een heiligdom in tijd, terwijl de Tempel een fysieke Shabbat is.

Het is in beide gevallen duidelijk, als we zeggen dat zij equivalent zijn aan het in acht nemen van de hele Thora, dat we niet bedoelen dat zij in de plaats treden voor het in acht nemen van de Thora. De mens heeft zowel in het algemeen als in het bijzonder de specifieke details nodig van hoe G’D in ons leven wordt gebracht door het houden van alle mitzwot van de Thora.
[Mozes] begon met de constructie van het Tabernakel met de mitzwa : “Zes dagen mag er werk verricht worden…..”(Exodus. 35:2) Dit verwijst [niet naar werk in het algemeen, maar specifiek] naar het bouwen van het Tabernakel, welke daarom is uitgedrukt in de gebiedende wijs.

Onze wijzen in de Talmoed leiden de categorieën van verboden werkzaamheden op Shabbat af van de typen van werkzaamheden die noodzakelijk waren voor de constructie van het Tabernakel. Hier kunnen we zien waarom dit zo is: zij zijn naast elkaar geplaatst als zijnde absoluut equivalent aan elkaar; als je het ene doet, benodig je niet het andere te doen en vice versa. Een Jood is voorbestemd om constant betrokken te zijn in het bevorderen van G’ddelijk bewustzijn in de wereld. Gedurende de week doet hij dit door “het bouwen van het Tabernakel” met andere woorden, de fysieke wereld geschikt maken voor G’ddelijke revelatie. Op Shabbat doet hij dit door het staken van activiteiten van het verbeteren, in plaats daarvan opent hij zichzelf alleen voor de G’ddelijke Aanwezigheid waarvoor hij de achtergrond gedurende de week heeft voorbereid. Dus het Tabernakel en de Shabbat zijn eenvoudig twee kanten van de zelfde medaille: de voorbereiding en de vervulling.

[Mozes gebruikte de lijdende vorm] en zei “mag er werk gedaan worden” in plaats van [de actieve vorm], “je zult werken” om aan te geven dat het werk op eigen kracht zal worden gedaan. Op de zelfde wijze is gezegd: “[geen hamer of bijl noch enig ander ijzer gereedschap werd gehoord] tijdens het bouwen van het Huis” (Koningen I. 6:7)

Op deze manier, “maar de zevende dag moet het iets heiligs zijn voor jullie zijn “ (Exodus. 35:2). Want je heiligt je zelf op de wekelijkse dagen, tijdens het bouwen van het Tabernakel, het zal zonder twijfel heilig voor je worden op Shabbat. Je zult een bijkomende staat van heiligheid ervaren en een bijkomend [niveau van] de ziel bezitten.

Als we beide condities vervullen, dat is, ons bezighouden met de fysieke wereld gedurende de week om het te verheffen tot heiligheid en het bewustzijn behouden tijdens dit proces dat we eenvoudigweg vertegenwoordigers zijn van G’D, zullen we door Shabbat ons volledig ontvankelijk hebben gemaakt voor de heiligheid die we in de wereld hebben gebracht en zullen volledig in staat zijn om het de gehele heilige dag te ervaren. De viering van de Shabbat zal niet een eenvoudige beëindiging zijn van werk, maar een tastbare ervaring van heiligheid in gebed, viering en fijn voedsel, Thora studie en sociaal familieleven. Zelfs de aardse aspecten van het leven zullen G’ddelijke dimensies aannemen en ontmoetingen worden met de wonderbaarlijke realiteit van G’D zelf. Dit wordt beschreven in de Talmoed als de familiare metafoor van het bezitten van een “extra ziel” op Shabbat.

Samen, vormen Shabbat en de Tempel de complete rectificatie voor de zonde van het Gouden Kalf, de ontkenning of verontreiniging van het idee van G’D’s verenigde aanwezigheid door hele de realiteit van ruimte en tijd.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie