PARASHAT WAJAKEEL / PEKOEDÉ

Beide Parshi’ot worden deze Shabbat samen gelezen.

PARASHAT WAJAKEEL
En hij liet samenkomen, Exodus 35:1 – 38:20

De schokkende gebeurtenissen zouden lang in het geheugen blijven nazinderen. De spanningen, de onrust en de wilde orgie rond het gouden kalf, het verbrijzelen van de verbondstafelen, de doden en de frustraties, dit alles moest nu op de achtergrond geschoven worden.

Het oude blad moest worden omgedraaid en een nieuw blad moest worden beschreven. Het proces van de bevrijding dat begonnen was met de uittocht en voortgezet werd op Sinaï moest weer opgenomen worden. Voor dit doel roept Mozes een algemene vergadering samen voor de hele gemeenschap van mannen, vrouwen en kinderen.

De Talmoedische rabbijnen berekenden het precieze tijdstip van deze ongewone vergadering. Het was, zo zeggen ze, op de dag na Jom Kippoer, na de grote verzoendag welke plaats had op die dag toen de Almachtige de zonde van de afgodendienst vergaf en aan Mozes een tweede paar verbondstafelen overhandigde.

Geen wonder dat Mozes’ aangezicht straalde als gevolg van zijn heroïsche optreden waardoor hij het volk dramatisch en eigenhandig van de vernietiging redde (Ex. 32, 15-35). Ook had hij veertig dagen en nachten achter de rug zonder eten of drinken. Zijn unieke grootheid was nu zichtbaar voor eenieder. Zijn Godsnabijheid plaatste hem in een kategorie apart, zoals we vernemen in de zin: “En Aharon en al de kinderen van Israël zagen Mozes, terwijl zijn gezicht straalde, en zij vreesden hem te benaderen” (ibid. 34, 30).

Mozes had nu kunnen besluiten dat hij de rest van zijn leven zou doorbrengen in de sublieme zegening van het goddellijke, met een sluier rond zich, en ver van het volk dat hem bedrogen had en hem zoveel last en pijn had bezorgd. In plaats daarvan verliest hij geen tijd om met zijn volk in kontakt te treden. Het is duidelijk dat hij iets belangrijks aan de hele gemeenschap wil meedelen: de boodschap van de aanwezigheid van de Almachtige in hun midden waarover hij hen vóór de tragische gebeurtenissen had gesproken (ibid. 25, 8), toen hij zei “Gij moet Mij een heiligdom maken zodat Ik onder jullie kan wonen”.

Rabbi Moshe Ben Nachman, de bekende mystieke kommentator (Ramban 1194-1270) schildert dit ogenblik af als de “vernieuwing van de jeugdige liefdesverhouding tussen de Almachtige en Zijn volk”. In de volgende hoofdstukken zijn we getuigen van de geest van toewijding en verheffing die over het volk komt wanneer zij het tabernakel bouwen, de woonplaats voor Gods aanwezigheid onder hen.

Om er zich van te verzekeren dat hun enthousiasme niet was zoals het enthousiasme dat hen had meegesleurd om het gouden kalf te maken,laat Mozes zijn woorden omtrent het heiligdom voorafgaan door zijn woorden omtrent shabbat. Er zijn, zo zegt hij hen, twee heiligdommen. Eén in de ruimte en één in de tljd. Het ruimtelijke en zichtbare heiligdom komt op de tweede plaats, na het tijdelijke en onzichtbare heiligdom van shabbat.

AI het werk voor het maken van het tabernakel moet ophouden wanneer shabbat intreedt. De tijd werd door de Almachtige zelf heilig gemaakt (Gen. 2, 3), terwijl de ruimte door de mens kan geheiligd worden. De heiligheid van shabbat gaat boven de heiligheid van het heiligdom.

Wachtend en biddend voor de herbouw van Beth haMikdash (de tempel) gedurende eeuwen, traden joden wekelijks in wat A.Y.Hesche “een heiligdom in de tijd” noemde. Dit heiligdom reisde met hen mee waar ze in hun omzwervingen ook heengingen. Dit “draagbare heiligdom” in de tijd nam niet de plaats in van het ruimtelijke heiligdom.

Integendeel, shabbat was voor het volk van Israël waar ze ook waren ook een voortdurende herinnering aan het Land.

Alle ondergrondse bronnen van liefde voor en verlangen naar Tsion en Jeruzalem kwamen aan de oppervlakte gedurende shabbat. Het was om zo te zeggen een “buitenterritoriaal” verlangen naar de stevige bodem van Éréts Jisraeel in het midden van de veranderende ballingschappen in de diaspora. De liturgie en gezangen van de shabbat vloeien over van verlangen van terugkeer naar het Land.

Het is interessant te noteren dat de psalm voor de dankzegging na de maaltijd op shabbat niet dezelfde is als die welke gedurende de weekdagen wordt gezegd. Gedurende de week wordt Psalm 137 gereciteerd: “Bij de rivieren van Babylon zaten we neer en weenden we bij het herinneren van Tsion [… ] Hoe kunnen we het lied van de Almachtige zingen op vreemde bodem?” Op shabbat wordt een andere psalm (Ps. 126) gereciteerd: “Wanneer de Almachtige ons deed terugkeren naar Tsion, waren we als dromers. Onze monden werden gevuld met gelach en onze tongen met gezang”.

Het ervaren van heiligheid in de tijd intensifieerde zeer het verlangen naar de ervaring van heiligheld in de ruimte. Shabbat had ongetwijfeld veel te maken met de recente terugkeer van joden naar het Land als deel van de zionistische beweging. De abnormaliteit van het leven als minderheid in een vreemde omgeving werd, zelfs onder gunstige omstandigheden, bijzonder op shabbat gevoeld, wanneer joden apart gesteld werden van de rest van de bevolking die zondag of vrijdag tot hun rustdag maakten. Op shabbat werd de jood ervan bewust dat wanneer alles gezegd en gedaan is, hij nog steeds beschouwd wordt als een buitenstaander. Er zijn inderdaad vele “eilanden” in de huldige wereld, waar joden shabbat kunnen onderhouden. Maar alleen in Israël is erév sbabbat, de dag vóór shabbat, gevuld met een bijzondere verwachting zoals die alleen kan gevoeld worden in de straten van Jerusalem in de wekelijkse voorbereiding op shabbat.

Het onderhouden van shabbat met al zijn beperkingen is niet zonder problemen voor een natie die energiek geëngageerd is in het opbouwen, verdedigen en runnen van een moderne staat. Dat was ook het geval voor onze voorouders in de woestijn die zich enthousiast bezighielden met het bouwen van het heiligdom, in een wanhopige poging om de verloren tijd in te halen. Precies daarom achtte Mozes het noodzakelijk om de Israëlieten te herinneren aan het onderhouden van shabbat vooraleer hij hen vertelde over het bouwen van het heiligdom.

Het ophouden van alle werk op shabbat geschiedt om te verzekeren dat zelfs in het bouwen van het heiligdom of van het Land, het volk zijn zin voor richting niet zou verliezen. Shabbat is de tijdelijke pauze om te luisteren naar onze innerlijke stem, een verademing, opdat de onrust ons niet zou doen vergeten waar het ons eigenlijk om te doen is.

PARASHAT PEKOEDÉ
De berekeningen, Exodus 38:21 – 40:38

Wanneer de bouw van het tabernakel is voltooid, wordt een uitvoerig rapport opgemaakt dat nauwgezet elke detail vermeldt. De lange lijst van al datgene wat te maken heeft met de bouw van het tabernakel neemt meerdere hoofdstukken van de Tora in beslag (Ex. 35-40), en dient een ernstig doeleinde. Het leert ons dat de verantwoording een noodzaak is voor wie omgaat met publieke fondsen.

Wie kan meer vertrouwd worden dan Mozes, over wie God zelf getuigt: ,Mijn dienaar Mozes… Mijn vertrouweling in heel Mijn huis” (Num. 12, 7)? Wie zou ,onregelmatigheden” durven vermoeden in het gedrag van Mozes’ toegewijde medewerkers, de meesterbouwer Betsal’el ben ‘Oeri en de begaafde vakman ‘Oholi’av mannen,,wijs van hart” en door de Almachtige gekozen om de bouw van het heiligdom uit te voeren?

En toch staat er geschreven: “Hier volgt een berekening van de kosten van het tabernakel… op bevel van Mozes becijferd” (Ex. 38, 21). Zoveel goud kwam binnen voor de bouwcampagne, zoveel ziIver, zoveel koper. Precieze hoeveelheden en precieze aangifte waarvoor de gaven werden gebruikt tijdens het bouwen.

De vlekkeloze reputatie van degenen die verantwoordelijk zijn voor de publieke fondsen of het onbeperkte vertrouwen dat in hen wordt gesteld zijn niet voldoende. Mozes leert ons dat er een publieke verantwoording moet zijn om bij voorbaat elke kwaadsprekerij over mensen in publieke dienst uit te sluiten.

Het is niet voldoende dat iemand vrede met zichzelf heeft en dat hij weet dat hij in het afhandelen van publieke zaken zonder blaam is. Zelfs indien de Almachtige zelf getuigt van de eerlijkheid van die persoon is dat niet voldoende.

De rabbijnen die de les leerden van Mozes onze leraar, hebben in opeenvolgende generaties met opmerkenswaardige gevoeligheid de halachische (wettelijke) bepalingen betreffende het omgaan met publieke fondsen vastgelegd.

Geacht worden door het volk, zo benadrukken ze, is even belangrijk als waardig geacht worden door de Almachtige. Mozes was de eerste om zich hiervan bewust te zijn toen hij zichzelf de verplichting van verantwoording oplegde bij de voleinding van het bouwen van het tabernakel. Mozes keerde op het onderwerp terug toen hij met de stammen van Re’oeven, Gad en de halve stam van Menashe onderhandelde betreffende hun verzoek om zich niet in het beloofde land te vestigen. Wanneer hij hen vermaant (Num. 32, 22) om”zuiver (zonder blaam) te zijn ten aanzien van de Almachtige en (!) ten aanzien van Israël”, stelt hij de Almachtige en Israël op gelijke voet.

Dezelfde raad wordt ook verstrekt door de wijze koning Shlomo wanneer hij zegt “Dan wordt ge bemind, als verstandig gewaardeerd door God en (!) de mensen” (Spr. 3, 4).

Het bleef echter niet bij goede raad. Men maakte ook wetten. Hier volgt een voorbeeld uit de Mishna (de Mondelinge Thora): ,”Drie keer in het jaar namen ze (in de tempel van Jeroeshalaïm) geld uit de shekel-kamer (de schatkist waarin de inkomsten van de jaarlijkse shekeltaks werden gestort), een halve maand vóór Pèsach, een halve maand vóór Shavoe’ot en een halve maand vóór Soekot… Degene die het geld uit de shekelkamer nam, had geen mantel met lange mouwen of schoenen of sandalen opdat men niet, in het geval dat hij rijk werd, zou zeggen dat hij rijk geworden was van het geld dat hij uit de shekelkamer nam (door heimelijk geld te verbergen), want een mens moet de mensen behagen precies zoals hij de Almachtige behaagt” (Shqaliem 3, 1-2).

Volgens een midrash kwam Mozes in dit stadium van zijn werk op het idee om een financieel rapport uit te brengen, niet enkel als voorzorg voor de toekomst, maar ook als gevolg van zijn eigen persoonlijke ervaring.

Volgend op Mozes’ontgoocheling in zijn volk na het incident met het gouden kalf, wordt ons verteld (Ex. 33, 8):”Als Mozes zich naar de tent begaf, gingen alle mensen voor de ingang van hun tent staan en bleven hem nakijken”. Waarom gingen ze staan en bleven ze ,,Mozes nakijken”? Midrash Tanchoema legt uit dat ze met ,grote ogen” naar hem keken en hem achter zijn rug belasterden. ,,Wat zeiden ze? Ze keken naar zijn rug en zeiden tot elkaar: wat een nek, wat een dijen! Hij eet wat van ons is en drinkt wat van ons is. Zijn vriend antwoordt: Dwaas! Een man die verantwoordelijk is voor het tabernakel, talenten van zilver, talenten van goud, niet geteld, niet gewogen en niet genummerd, wat verwachten jullie dan wel, dat hij niet rijk zou zijn? Toen Mozes dit hoorde zei hij: Bij jullie leven! Zodra het werk van het tabernakel voltooid is, zal ik voor hen verantwoording afleggen. Toen het tabernakel was voltooid, zei hij tot hen: dit zijn de berekeningen van het tabernakel.”

Zolang Mozes middenin het werk was, hield hij niet op degenen die hem belasterden van antwoord te dienen. Toen het werk voltooid was, zag hij het als de beste en enige weg om de lasteraars te doen zwijgen dat al zijn verrichtingen publiek gemaakt zouden worden.

Misschien kan men niet veel doen om kwaadsprekerij en verdenkingen te vermijden. De joodse wet biedt evenwel een aantal bepalingen die moeten gevolgd worden wanneer men met publieke fondsen omgaat.

Men moet minstens met twee zijn wanneer men geld inzamelt voor de armen. Het geld moet verdeeld worden door een comitee van drie om rechtvaardige criteria en onpartijdigheid te verzekeren. Deze wettelijke bepaling uit Mishna (Pe’a 8, 7) wordt uitgewerkt in de Talmoed en in diverse wetcodices.

Zij die rondgaan voor weldadigheid, zo worden we onderricht (Babylonische Talmoed, Baba Batra 8b), mogen niet uit elkaar gaan wanneer ze rondgaan. Ze moeten immers elkaar in het oog houden.

Wanneer verder geldinzamelaars klein geld of groot geld omwisselen, dan moeten ze het omwisselen met anderen en niet van hun eigen geld nemen, opdat anderen niet zouden zeggen dat ze niet de volledige waarde geven. Op gelijke wijze moeten ze , wanneer bepaalde weldadigheidsfondsen moeten worden geinvesteerd , bij anderen investeren en niet op een manier die de indruk zou kunnen wekken dat men uit de investering enig persoonlijk voordeel zou kunen halen (vergelijk Maimonides’ Mishne’ Tora, Matnot ‘Aniyyiem 9, 8-9).

Dezelfde bronnen die zo nadrukkelijk geldinzamelaars waarschuwen voor allerlei gevaren, hebben de grootste lof voor hun werk. Zo zegt rabbi Shmoe’el, de zoon van Isaak en Marta in de naam van Rav (ibid.): wie zijn zij die in de taal van Dani’el (12, 3) “de mensen tot rechtvaardigheid [weldadigheid] hebben gebracht en die vergeleken worden met de sterren die voor eeuwig en altijd schitteren?” Het zijn zij die weldadigheidsfondsen inzamelen.

Geef een reactie