PARASHAT WA’ERA

Ik ben verschenen (Exodus 6:2 – 9:35)

Tegen het einde van het vijfde hoofdstuk van Exodus wordt het laagste en meest ontmoedigende punt in het verhaal van de slavernij van de Israëlieten onder Farao bereikt. Zelfs de verachtelijke collaborateurs, de Israëlitische opdrachtgevers en voormannen klagen bitter bij Farao omdat hij het onmogelijke vraagt. Hoe kan het volk de vereiste hoeveelheid stenen produceren – zo luidt hun logische vraag – indien hen het nodige basismateriaal niet wordt geboden (Ex. 5, 16)?

Wat ze niet begrijpen is dat in dergelijke omstandigheden er geen plaats is voor logica. In plaats van een antwoord te bekomen van hun superieuren die ze getrouw dienen ten nadele van hun eigen broeders, worden ze brutaal afgeranseld en publiek vernederd. Geweld is de enige logica in deze fase van de intimidering van de slaven.

“Luiaards zijn jullie, luiaards! … En nu vooruit aan het werk”. Dat is alles wat Farao hen te zeggen heeft. ,Er wordt geen stro gebracht, maar het vastgestelde aantal stenen moeten jullie leveren” (ibid., 17-18).

De bitterheid neemt toe, maar zelfs dan geven ze geen uiting aan hun woede tegenover Farao. Ze vinden het immers makkelijker om Mozes en Aharon te beschuldigen. Ze willen niet over vrijheid horen. Eerder willen ze vrede nemen met de situatie zoals die is, zolang hun vel maar wordt gered. Ze houden er niet van om eraan te denken dat ze de volgende zijn die aan de beurt komen als er niet drastisch wordt ingegrepen en aan de terreur een halt wordt toegeroepen.

Nu richt hun woede zich tot hen die veranderingen pogen op gang te brengen. ,Moge de Almachtige verschijnen om u te vonnissen want u hebt het voor ons bedorven bij Farao en zijn hovelingen. U hebt hem het zwaard in de hand gegeven om ons te doden” (ibid., 2 1). Alsof zonder de tussenkomst van Mozes en Aharon Farao geen zwaard in de handen zou hebben gehad en het leven vredig zou zijn verder gegaan. Alsof jodenhaters toen en nu een bijzondere reden nodig hebben om hun haat bot te vieren.

Het misplaatste argument gaat niet ongemerkt voorbij. Mozes voelt zich gekwetst en verloren. Hij ziet geen kans meer voor een succesvolle bekroning van zijn opdracht. Hij keert naar de Almachtige terug en zegt: ,Mijn Heer, waarom behandelt Ge dit volk zo slecht? Waarom hebt Ge mij gezonden? Sinds ik naar Farao gegaan ben om in Uw Naam tot hem te spreken behandelt hij dit volk nog slechter” (Ex. 5, 22).

Zo wordt het laagste punt in de geschiedenis van de verlossing bereikt. Zelfs Mozes de leider is bereid om op te geven wanneer hij de magere resultaten van al zijn ondernemingen onder ogen neemt en het gezeur van het volk hoort.

Op dat moment verschijnt de Almachtige weer aan Mozes om hem te vertellen dat de weg naar de vrijheid lang en vol hindernissen is en dat er geen binnenwegen zijn. Vrijheid wordt niet gemakkelijk bereikt als het resultaat van een kortstondige opstand van verdrukte massa’s. De lijdende massa's willen zelfs niet het feit onder ogen zien dat ze worden onderdrukt. Verlossing, zo deelt de Almachtige Mozes mee, zal tot stand gebracht worden omdat die diep verworteld is in de verbondsrelatie met Avraham, Izaak en Jakob. Voor de ,weeklagende Israëlieten” zal er vrijheid komen omdat ergens ver weg aan de horizon een land op hen wacht. Een land dat uitziet naar hun komst (6, 1-5).

Dit is de boodschap die Mozes aan de Israëlieten moet overbrengen. ,Zeg daarom aan de Israëlieten: Ik ben de Almachtige, Ik zal u doen uitgaan van onder de last van Egypte. Ik zal u bevrijden van hun overheersing. Met uitgestrekte arm en onder toediening van zware straffen zal Ik u redden. Ik zal u nemen als Mijn volk (dan zal Ik uw God zijn)”.

Verlossing is in deze uitgewerkte belofte niet een eenmalige daad. De verlossing voltrekt zich in niet minder dan vier stadia, uitgedrukt in vier verschillende termen (,,doen uitgaan/uitbrengen”, ,bevrijden”, ,redden” en ,nemen”). De vroegere rabbijnen in de Jeruzalemse Talmoed (Psachim 10, 1) verwijzen naar deze vier werkwoorden als de reden voor het drinken van de vier bekers wijn gedurende de Seder, wanneer het verhaal van de Exodus wordt herinnerd. (Een andere, minder homiletische reden voor de vier bekers wijn is dat het vrijheidsmaal van Pesach werd gevormd naar het model van het gangbare Griekse symposium, waarop vier bekers wijn werden gedronken).

Als we de vier stadia van bevrijding nader bekijken, kunnen we ons vragen stellen omtrent de volgorde van deze stadia. Wat komt eigenlijk eerst? Uitgebracht worden van onder de last van de onderdrukkers of bevrijd worden van de overheersing? Gaat het bevrijd worden van overheersing niet vooraf aan het bevrijd worden van de last? En volgen de daarop volgende stadia elkaar logisch op?

In zijn klassieke boek 'al ba-Thora suggereert rabbi Mordechai Haco-hen het volgende verloop van gebeurtenissen welke Ieidt tot de uiteindelijke daad van bevrijding en de intocht in het land van het volk Gods (Ex. 6, 8).

Vooreerst, ,lk zal u uitbrengen van onder hun last”. Ik zal u ervan bewust doen worden dat in ballingschap vertoeven een ondraaglijke last is waaruit ge moet wegtrekken. In het Hebreeuws staat het woord last, sivlot, dicht bij het woord savlanoet, geduld, of sovlanoet, verdraagzaamheid. Alleen wanneer een volk zijn geduld verliest en de toestand niet langer meer kan worden verdragen, is het klaar voor het tweede stadium welke de bevrijding is uit de overheersing. Spirituele vrijheid is dus een voorwaarde voor fysieke vrijheid.

Bovendien put een vrijheidslievend volk zich niet uit in het bouwen van een prachtig Pitom en Ra'amses voor anderen, maar zet het zich in om in de eigen behoeften te voorzien. Vandaar de belofte ,lk zal u bevrijden van hun overheersing”.

Op dit stadium volgt het derde stadium van de verlossing: ,lk zal u redden met uitgestrekte arm”. Een fier volk komt resoluut op voor zijn rechten als een onafhankelijke natie.

En slechts dan als ze vrij en onafhankelijk zijn, zijn ze klaar voor het vierde, uiteindelijke stadium: ,Ik zal u nemen als Mijn volk”.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie