PARASHAT WA’ETCHANÁN

En ik smeekte (Deuteronomium 3:23 – 7:11)

In die tijd heb ik de Almachtige gesmeekt. Almachtige, mijn Heer, Gij hebt me het begin laten zien van Uw grote macht en Uw sterke hand… Ik bid U, laat me oversteken en laat me aan de andere kant van de Jordaan dat heerlijke land aanschouwen, dat prachtige gebergte en Levanon” (Deut. 3, 23-25).

Volgens de rabbijnen geven deze woorden slechts het wezenlijke weer van Mozes’ verzoek om te mogen binnentrekken in het land. In werkelijkheid zou hij een overvloed van argumenten gebruikt hebben om zijn verzoek te rechtvaardigen en de deugdelijkheid ervan aan te tonen. Toch werd het hem niet gegeven om het land binnen te gaan. Zo werd Mozes de eerste ,refusnik” en sedertdien zijn er altijd geweest die naar het land konden gaan maar niet wilden, en anderen die wanhopig wilden maar niet konden.

Uiteraard kan de analogie tussen Mozes en de hedendaagse refusnik niet te ver worden doorgetrokken. Wat ze duidelijk gemeenschappelijk hebben is het hartzeer en de diepe frustratie die veroorzaakt worden door de weigering om hun levens droom te vervullen – het land binnengaan.

De wijzen in de Midrash proberen een beeld op te hangen van hoe Mozes zich moet hebben gevoeld op dat ogenblik. Ze weiden uit over de woorden die Mozes in de mond nam en de argumenten die hij gebruikte toen hij tot de Almachtige sprak. Ze vermelden ook de tegenargumenten van de Almachtige om Mozes, zijn geliefde boodschapper, ervan te overtuigen dat hij nu moet sterven om de weg te banen voor een ander type leider dat het volk nodig heeft, nu het nomadische woestijnleven vaarwel zegt om het land te veroveren en te bewonen.

Volgens de Midrash begint Mozes zijn lange vruchteloze bede met de woorden:,,Heer van de wereld, houd er rekening mee hoeveel ik te dragen had omwille van Israël, tot zij Uw eigendom werden. Ik heb met hen zoveel geleden, zal ik me dan ook niet met hen verheugen?”

Mozes vraagt gerechtigheid en baseert zijn aanspraken op Gods eigen Thora. ,Zie”, zo argumenteert hij, ,als Ge me niet toelaat om het beloofde land binnen te gaan, dan laat Ge Uw Thora liegen, want daarin staat geschreven: op dezelfde dag nog zult ge de arbeider zijn loon geven. Welnu, waar is mijn loon voor de veertig jaar dat ik voor Uw kinderen heb gezwoegd?. . . ”

Mozes doet ook beroep op Gods medelijden voor hem als oudgediende van Zijn volk: ,Gedurende al de tijd dat ze in de woestijn waren”, zo pleit hij, ,kon ik zelf niet voor een ogenblik neerzitten en van het leven genieten. Kijk naar de boeken die ik wilde Iezen en schrijven, naar al wat ik in gedachten had om te doen als ik het heilige land zou binnentrekken. En nu vertelt Ge me dat mijn tijd voorbij is?” Mozes, de man van God, de gehoorzame dienaar, weigert – tegen alle verwachtingen in – zich erbij neer te leggen als zijn tijd is gekomen om te sterven.

Hij doet al het mogelijke opdat het ogenblik, waarop hij zich bij zijn voorouders moet vervoegen, zou worden uitgesteld. De voornaamste reden hiervoor is zijn vurig verlangen om naar het land op te gaan. En als het hem niet gegeven is om naar het land te gaan als permanent inwoner, dan tenminste als toerist:,,Laat mij aan de andere kant van de Jordaan dat goede land zien” ‘ Hetzelfde gevoel wordt vertolkt in een mooi, maar weinig bekend chassidisch verhaal. De heilige Ba’al-Shem-Tov, zo gaat het verhaal, stijgt ten hemel. Nadat hij enige tijd daar heeft doorgebracht, wordt hem het uitzonderlijke privilege aangeboden om daar te blijven waardoor hem de doodsangsten zullen worden gespaard. De Ba’al-Shem-Tov verheugde zich bij het aanbod. Na enig nadenken echter weigerde hij het te aanvaarden omdat de hoop die hij nog steeds koesterde om naar Éréts Yisraeel te gaan hierdoor niet zou kunnen worden vervuld (dat hij dit verlangen koesterde is duidelijk uit de enige authentieke brief die we van de Ba’al-Shem-Tov bezitten, de beroemde lgérét ha-kodésh).

Ondanks alle argumenten van Mozes, veranderde de Almachtige Zijn besluit niet. Elke generatie, zo deelt Hij aan Mozes mee, moet zijn eigen leiders hebben. Mozes moet blijven waar zijn eigen generatie begraven werd. De herder moet bij zijn kudde blijven. Zelfs zijn resten kunnen niet naar het land van zijn dromen worden gebracht.

Wanneer Mozes vraagt waarom hij dan slechter is dan Jozef, wordt hem geantwoord dat Jozef, in tegenstelling met hem, toen hij met de buitenwereld in contact trad, ervoor uitkwam dat hij behoorde tot het joodse volk en het joodse land. Daarom geniet Jozef het voorrecht daar begraven te worden. Hoe weten we dat Jozef uitkwam voor zijn jood-zijn en zijn toebehoren aan het land Israël? De rabbijnen in Dvariem Rabba (2, 8) verwijzen naar het vers in Genesis (Gen. 29, 14) waar de meesteres van Jozef uitroept: ,Stel je voor, de Hebreeër die we in huis gekregen hebben. . . “, wat door Jozef niet wordt ontkend. En wanneer Jozef over zichzelf spreekt, zegt hij: ,Want ik ben met geweld weggesleept uit het land van de Hebreeën” (Gen. 40, 15).

Mozes echter zwijgt wanneer de dochters van Yitro zeggen: ,Een Egyptenaar heeft ons in bescherming genomen tegen de herders” (Ex. 2, 19). Hij verbetert hen niet door te zeggen dat hij een Hebreeër is en hij schijnt er niets tegen te hebben om in de ogen van de jonge vrouwen door te gaan voor een Egyptische prins. Hij haast zich niet om hen de waarheid mee te delen.

Dit schijnbaar kleine incident wordt ook in rekening gebracht als Mozes’ verzoek om het land binnen te gaan wordt overwogen. Men kan niet tegelijkertijd zijn nationale identiteit verbergen als het zo goed uitkomt én verwachten dat men de beloning ontvangt van de volledige deelname aan de nationale viering wanneer het doel eenmaal is bereikt. Zelfs als men niemand minder is dan Mozes zelf, de verlosser van Israël

Geef een reactie