PARASHAT VA’ERÁ

Ik ben verschenen     Exodus. 6:2 – 9:35


Mozes leert Farao de omvang van het domein van G’D


Shnei Loechot Habriet, Rabbi Isaia Horowitz


En Elo-hiem [G’D] sprak tot Mozes en zei hem, Ik ben Havayah [de Eeuwige]!” (Exodus. 6:2)

Alle mirakelen uitgevoerd door G’D in Egypte, die alle begrijpelijke natuur wetten tartten, werden opgeroepen door de onuitsprekelijke vier letter Naam, “Havayah”, die G’D symboliseert als een samenstelling van de  Hebreeuwse woorden voor “Hij was, Hij is, Hij zal zijn”, de Ene die de wereld ex nihilo heeft geschapen en Die eeuwig is. De naam “Elo-hiem” daarentegen , symboliseert natuur, met andere woorden, de wetten van de natuur. We hebben herhaaldelijk aangegeven dat het Hebreeuwse woord voor “de natuur”, “ha’teva”, de zelfde numerieke waarde heeft als het woord “Elo-hiem”. Volgens de Zohar representeert die naam een “kaf”, een “lijn”, de regels van wet en orde, met andere woorden, rechtmatigheid. De karakteristieken van alle levende creaturen werden gedetermineerd door G’D’s oproeping van Zijn eigenschap “Elo-hiem”.

[In de woorden van de Arizal, “Nadat G’D de ruimte had gecreëerd voor existentie, vulde Hij deze ruimte met al het gecreëerde. Dit werd tot stand gebracht met behulp van een kav, een soort pijplijn. Het gecreëerde inkomende G’ddelijke licht verspreidde zich binnen deze “ruimte” door middel van de kav.]

Het feit dat de naam Havayah eenhogereeigenschap is dan die van “Elo-kiem wordt gedocumenteerd in Exodus. 18:11: Dat “Havayah groter is dan enige Elo-hiem”, toen Jethro de superioriteit van de eigenschap van G’D erkende over alle andere. Al de andere eigenschappen [met andere woorden, de namen] van G’D zijn afgeleid van de onuitsprekelijke Naam. Een andere aanduiding hierover is te vinden in Psalm. 136, waarin de Psalmist begint met ons op te roepen om te prijzen: “Erken Havayah want Hij is goed, want Zijn goedheid is eeuwig” (Psalm. 136:1); “Erken Elo-hiem de G’ddelijke G’D, want Zijn goedheid is eeuwig” (Psalm. 136:2); “Erken Ado-nai [Heer] der heren, want Zijn goedheid is eeuwig (Psalm. 136:3. G’D creëerde het systeem van de planeten, waaraan wordt gerefereerd als Ad-aniem. Elke Shabbat lezen we in een liturgisch gedicht “G’d rustte hen uit met macht en vermogen om te heersen te midden van de wereld” [de natuurlijke structuren]. G’D echter blijft Heer der heren. Op een hoger niveau dan de planeten zijn de Celestische Krachten die verantwoordelijk zijn voor deze verschillende planeten en de basis krachten van de natuur. Zij zijn bekend als Elo-kiem [G’ddelijke Goden]. De Onuitsprekelijke Vier Letter Naam [Havayah] reikt boven de bovenstaande drie namen van G’ddelijke gelijke krachten uit, die in het universum werken.

Het was deze naam en wat deze inhoudt die G’D aanwendde in het uitvoeren van bovennatuurlijke mirakels in Egypte. Telkens wanneer Mozes verscheen voor Farao trad hij op als een boodschapper van die eigenschap. Farao’s reactie in Exodus. 5:2 was dat hij zeker nog nooit had gehoord van een G’D met deze eigenschap, “Wie is Havayah dat ik naar Hem zou moeten luisteren”? Farao had geen enkel probleem met het accepteren van G’D in Zijn hoedanigheid als Elo-kiem, zoals we weten van Genesis. 41:38. De Zohar becommentarieert al eerder op het vers waar Josef zegt tegen Farao, “Dat gebeurt zonder mijn toedoen, G’D [Elo-kiem] zal wel antwoorden wat in het welzijn van farao is.” (Genesis. 41:16)

Rabbi Aba zegt: “Bemerk de kwaadaardigheid van Farao die beweert niet te hebben gehoord van G’D. Hij was extreem slim en maakte gebruik van het feit dat Mozes zichzelf niet had gepresenteerd als een boodschapper van Elo-kiem, die hij niet had kunnen ontkennen, maar als een boodschapper van Havayah. Hij vond het onbegrijpelijk dat Mozes niet was gekomen in naam van de “zelfde G’D” als de G’D van Josef die hij erkende. Hij kon zich niet verzoenen met deze naam van G’D.

Als de Thora schrijft, “En Havayah verhardde Farao’s hart”, betekent dit dat het  gebruiken van die naam het hart van Farao verhardde. Dit is de reden dat Mozes in de confrontatie met farao nooit en te nimmer gebruik maakte van een andere naam van G’D. (Soellam editie, Miketz, p.13)

Tot zover de Zohar.

Wanneer we de benadering volgen van de Zohar realiseren we ons dat G’D geheel niet interfereerde in Farao’s beslissingsproces. Farao dupeerde zichzelf. De oorzaak van zijn halsstarrigheid was “ani” [ik], zoals in “Ani Havayah”, “Ik ben Havayah” (Exodus. 6:2), wat impliceert, “Dat Mijn revelatie aan hem, dat Ik Havayah ben, zijn hart zal verharden.”

Toen de magiërs erkenden dat de plaag van de luizen niet het resultaat was van superieure magie door Mozes en Aaron (ibid. 8:15) beperkten zij hun erkenning tot de oorsprong van Elo-hiem, daarbij Havayah uitsluitend.

Farao had de betekenis van Elo-hiem geleerd van Josef en deze  G’ddelijkheid erkend als superieur in vergelijking met de andere goden. Zijn erkentelijkheid reikte zover dat een G’ddelijkheid, die hij beschouwde als de wetten van de natuur, deze niet kon controleren.

Farao begreep dat de existentie van het koninkrijk van Elo-hiem vermoedelijk groter was dan zijn eigen of andere koninkrijken, maar hij begreep niet dat deze zich zouden bemoeien met de soevereiniteit van andere koninkrijken. Farao beschouwde zichzelf ook als god. Er zijn vele koninkrijken in deze wereld die co-existeren, de een machtiger dan de andere.

Het was ook mogelijk dat Farao G’D erkende als Meester van het Universum, maar niet inzag dat het Universum G’D’s creatie was, maar eerder meende dat Hij deel uit maakt van het Universum. Andere filosofen hebben de opvatting van G’D als onafscheidbaar van de wereld, zoals zij licht zagen als onafscheidbaar van de zon. Om al deze redenen was farao kwaad toen Mozes naar voren bracht dat er een toegevoegde dimensie was met betrekking tot G’D. Farao reageerde door de werklast van zijn Joodse slaven te vergroten, zoals we lezen in Exodus. 5:9.

Toen Mozes dit resultaat na zijn eerste missie gewaar werd, riep hij uit: “Vanaf het moment, dat ik bij Farao gekomen ben om in Uw Naam [Havayah] te spreken, is het dit volk nog slechter gegaan (ibid 5:23). Dit was zoiets als een uiting van twijfel aan G’D om de volle impact te demonstreren van Zijn onuitsprekelijke Vier letter Naam.

Daarom antwoordt G’D aan Mozes, aan het begin van onze parasha, door te zeggen, “dat wat Hij zal doen zal aantonen dat Ani (Ik ben) Havayah “ (Exodus 6:2).

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie