PARASHAT VA’ERA

Ik Ben verschenen, Exodus 6:2-9:35

Wanneer de Thora een plaats een naam geeft, dan beschrijft zij niet alleen een geografische locatie, maar evenzo een gemoedstoestand en een spirituele situatie van omstandigheden.

In deze context is Mitsrajim, de Hebreeuws naam voor Egypte, een paradigma, een lering voor wat verbanning is, het demonstreert de essentie van de spirituele uitdaging waar het Joodse volk mee geconfronteerd is door de gehele historie heen. Mitsrajim is gerelateerd aan het Hebreeuwse woord meitzariem betekenend ” begrenzing” of “beperking”.

Materiële existentie beperkt en begrenst G`ddelijke expressie in de wereld. en de G`ddelijke expressie in onze ziel. Dit is verbanning, een onnatuurlijke staat.

Want de ware realiteit, dat de wereld is geschapen om een verblijfplaats te zijn voor G`D en dat iemands ziel feitelijk deel van G`D is, is verhuld.

In zo’n staat gaat een persoon op in zijn dagelijkse routine. Spirituele waarden van het leven, als hij ze uberhaupt overweegt, worden geïnterpreteerd naar zijn eigen wereldbeschouwing.

In deze context wordt het concept Mitzrajim ( Egypte) persoonlijk, iedereen heeft zijn Egypte dat hem beperkt, begrenst en waar hij van bevrijd wil en moet worden. Bovendien manifesteert verbanning zich van nature als eeuwig .

Onze Geleerden verwijzen naar, “geen slaaf kon ontsnappen uit Egypte”, vergelijkbaar en ongeacht de achtergrond hoe een persoon leeft, ontstaat er een natuurlijke weerstand tegen verandering en de geleerden vervolgen “Een persoon in de boeien kan zich zelf niet bevrijden”.

Aangezien het hedendaags persoonlijk denken is ontwikkeld vanuit een milieu van verbanning, vinden velen het moeilijk om over hun eigen achtergronden heen te zien. Ofschoon de mens niet in staat is zich te bevrijden, weigert G`D toe te staan om verbanning tot in eeuwigheid te laten continueren. De eerste stap naar verlossing is een directe openbaring van G’ddelijkheid.

Aangezien de fundamentele karakteristiek van verbanning verhulling is van G`ddelijke aanwezigheid, houdt de wegcijfering van verbanning in, een duidelijke openbaring van G`ddelijkheid. Dat schudt mensen uit hun zelfabsorptie en maakt hen toegankelijk voor spiritueel besef.

Dit is de boodschap van Parashat Va’era, Va’era betekent: “ En Ik verscheen” in de zin van “Ik openbaar mijzelf”. De stam van Va’era is het woord Re’iyah, wat betekent , aanblik, zicht, waarneming Va’era refereert aan iets wat men direct ziet, dit thema doorloopt het gehele Thoragedeelte welke zeven van de tien plagen beschrijft , wonderen die een tweevoudig doel behelsden, zoals de Thora aangeeft in Shemot 7:4-5 ” IK zal tentoonspreiden mijn macht,…. IK zal voeren mijn heerscharen, mijn volk de kinderen Israël uit het land Egypte…..en Egypte zal weten dat IK de EEUWIGE ben.”

Deze plagen maken de hele wereld bewust van G`Ds aanwezigheid, zelfs de Egyptenaren wiens trotse heerser opschepperig zei in 5:2 ” Ik ken G`D niet” kwam tot bewust wording van hem en erkende 8:15 ” Dit is de vinger van G`D”.

Omdat de wonderen openlijk te zien waren veranderden zij het menselijk denken.

Wanneer een idee intellectueel is verwerkt, neemt het enige tijd in beslag tot dat het invloed op iemands gedrag heeft, maar in vergelijking met een persoon die iets ziet met zijn eigen ogen, verandert dat onmiddellijk zijn denken. Zodra een persoon een gebeurtenis ziet, dan is hij op geen wijze te overtuigen dat het niet heeft plaatsgevonden. Het is echter natuurlijk voor een persoon om te vragen, “Wanneer heb ik G`ddelijkheid gezien? Misschien waren er mirakels in het verleden, maar welke relevantie hebben zij in het heden?

Het antwoord ligt in Rashi�s commentaar op het vers waar het Thoragedeelte zijn naam aan ontleend Shemot 6:3 ” En IK verscheen aan Abraham, aan Izaak en aan Jakob” Rashi commentarieert:”Aan de Voorvaderen”.

Schijnbaar overbodig, we weten allemaal dat Abraham, Izaak en Jakob de voorvaderen waren van het joodse volk, hen elk bij hun naam noemen maakt het noemen van hun titel overbodig.

Rashi, desondanks benadrukt dat de verschijning aan hun is verleend, niet om hun individuele verdienste, maar omdat zij voorvaderen waren en hun spirituele verworvenheden zouden worden doorgeven als een nalatenschap naar hun nakomelingen. Door zich te openbaren aan onze voorvaderen, maakte G`D het bewustzijn van zijn existentie tot een fundamenteel element in de vorming van de nakomelingen voor alle tijden.

Geef een reactie