PARASHAT TSAV

Gebied, Leviticus 6:1 – 8:36

Shabbat Gadol, de Shabbat voor Pésach

“De Almachtige sprak tot Mozes, zeggend: Beveel Aharon en zijn zonen als volgt. Dit is het ritueel van het brandoffer…. het moet blijven waar het verbrand is op het altaar tot de morgen, terwijl het vuur op het altaar wordt aangehouden daarop” (Lev.6,1-2). En drie verzen verder: “Het vuur op het altaar zal brandend gehouden worden, het zal niet uitgaan”. En weer, het volgende vers: “Een eeuwig vuur zal brandend gehouden worden op het altaar, en het zal niet uitgaan”.

Bovenstaande citaten zijn letterlijke weergaven van de nieuwe vertaling van de Jewish Publication Society. De meeste andere Engelse bijbelvertalingen die we raadpleegden bieden gelijkaardige vertalingen, met uitzondering van de Autorized King James Version, die in dit geval dichter bij het Hebreeuws origineel staat omdat daar duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen het vuur brandend op het altaar (al ha-mizbeach) en het vuur brandend erin (tukad bo) of, in hem, namelijk in de dienstdoende priester.

De chassidische interpretatie stelt snedig dat het niet voldoende is om een vuur te hebben dat brandt op het altaar. Er moet ook een “eeuwig vuur” van enthousiasme zijn in ons wanneer we waarachtig de Almachtige willen dienen.

Het “in vuur en vlam zettende”, de vurigheid van de extase, in het chassidisme bekend als hitlahavoet, is volgens Martin Buber, “de beker van genade en de eeuwige sleutel”.

Eli Wiesel vertelt over een dichter die eens werd gevraagd: Als je slechts een ding uit je brandende huis zou kunnen redden, wat zou het dan zijn? De dichter antwoordde: het vuur, want zonder het vuur zou het leven niet de moeite waard zijn geleefd te worden.

Het binnenbrengen van het vuur markeert meteen het begin van de beschaving. De primitieve mens vereerde het vuur. Het voorzag hem van warmte, voedsel, licht, werktuigen en wapens. Het stelde hem in staat om de wereld rondom hem te vormen. De mens ging het vuur beschouwen als een almachtige god, zoals sommigen tot op de dag van vandaag doen. Alleen gebruiken sommige vuuraanbidders nu wat meer gesofistikeerde woorden zoals energie of technologie.

Thora en de joodse traditie spelen ook veel met vuur. Gods woord komt tot ons in vurige vlammen (Ex.3,2;19,18; Jer.23,29). Een “eeuwig vuur” moet op het altaar branden (Lev.6,13). Vele gelijkaardige bijbelse passages benadrukken het belang van het vuur. De Bijbel doet ons realiseren dat de Almachtige weliswaar spreekt vanuit het vuur, maar stelt het vuur nog niet gelijk aan G'D. Het vuur vormt de dingen, maar schept ze nog niet. De Almachtige wil dat de mens het vuur en de technologie gebruikt, niet dat hij erdoor overheerst wordt en er slaaf van wordt.

Volgens de bijbelse theorie wordt de wereld geboren wanneer G'D plechtig verklaart: “Laat er licht zijn”. Deze eerste daad van het scheppen van “licht” omvat hoogstwaarschijnlijk ook de schepping van alle energiebronnen. De schepping van het licht als zodanig wordt niet uitdrukkelijk vermeld in het verhaal. Deze leemte wordt opgevuld in de rabbijnse traditie.

Als kroon op het bijbelse scheppingsverhaal staat het verhaal van de schepping van man en vrouw. Spoedig nadat ze in de wereld gekomen zijn, komt de eerste Shabbat. Op het einde van deze eerste Shabbat ziet Adam de zon voor de eerste keer ondergaan. Steeds dieper wordende duisternis omvat de geschapen wereld. Vrees beklemt Adam's hart. Hij voelt zich hulpeloos, verloren in het duister. De Almachtige krijgt dan medelijden met hem en begiftigt hem met de intuïtie om twee stenen te nemen en ze tegen mekaar te wrijven zodat het vuur wordt ontdekt. Daarop roept de mens dankbaar uit: “Gezegend de Schepper van de lichten van vuur”.

Dit verhaal staat in schrille tegenstelling tot de Griekse mythologie waarin Prometeus voorgesteld wordt als degene die het vuur steelt van de naijverige goden om het in het geheim aan de mens te geven. Als straf wordt hij vastgeketend aan een rots en eindeloos gemarteld. In de joodse traditie echter wordt het vuur niet gestolen. Het wordt ook niet aan de mensen weerhouden. Het is een hemelse gave aan de mens, welke hem in staat stelt partner te worden van G'D in de voortdurende schepping en verbetering van de wereld.

In het joodse huis wordt elke Shabbat het bijbelse scheppingsverhaal weer gedramatiseerd. De Shabbat wordt onthaald met een zegening over de lichten, zoals de Almachtige in het begin zei: “Laat er licht zijn”. Na zes vurige dagen scheppend werkt leert de Almachtige de mens dat er een ogenblik komt waarop alle werk, zelfs dat van de schepping, moet ophouden om plaats te maken voor het leven van de ziel. Men herinnert zich dat na de zes dagen die ons werden gegeven “om te doen” ons een dag meer werd gegeven “om te zijn”. Zes dagen van de week worden we betaald voor wat we doen, een dag voor wat we zijn.

Op het einde van Shabbat heeft de ceremonie van havdala plaats. Een lichttoorts wordt ontstoken en men spreekt een zegening uit tot de “Schepper van de lichten van vuur”. Shabbat treedt in met licht en gaat weer weg met vuur.

Shabbat zelf wordt een dag genoemd van “vreugde en licht”. Geen vuur mag op Shabbat aangestoken worden “in al Uw verblijfplaatsen” (Ex.35,3). De enige uitzondering is het “eeuwige vuur” op het altaar dat moet brandend gehouden worden, zelfs op Shabbat (Jeruzalemse Talmoed Yoma 6,4). In het heiligdom zijn het “eeuwige licht” (Ex.27,20) en het “eeuwige vuur” beiden aanwezig.

Zowel licht als vuur zijn gaven van de Almachtige en de mens heeft beiden nodig. Het juiste evenwicht tussen het licht van de genade (chesed) en het vuur de kracht (gevoera), tussen het vuur van de creativiteit en het licht van het bewustzijn dat we zelf geschapen zijn en in leven gehouden worden door de Almachtige: dat is het geheim van het goede leven in de ogen van de Thora. De positieve voorschriften (“ge zult”) worden vergeleken met het licht. De negatieve voorschriften (“ge zult niet”) worden vergeleken met het vuur. Beide tezamen maken de hele Thora uit.

Vuur en zijn meer moderne versie, de technologie, zijn er om de mens te dienen, niet om hem te verslaven. Misbruik van vuur kan de mensheid vernietigen en de wereld terugbrengen tot de chaos en tohoe.

Het juiste gebruik van vuur dat steeds in het heiligdom aanwezig is, is in staat de mensheid goede dingen te brengen: zegening, warmte en licht.

Geef een reactie