PARASHAT TSAV

Gebied (Leviticus 6:1 – 8:36)

Eens, toen hij een sjoel passeerde in een klein dorp, hoorde de Baal Shem Tov hoe een chazan de Jom Kippoerdienst repeteerde.

Zijn aangename stem waarderend, luisterde hij aandachtig en hoorde hem de monotone confessie gebeden opdragen in een blije opgewekte melodie.

Benieuwd waarom hij zo’n melodie had gekozen, wendde hij zich tot hem. De chazan legde het hem uit door-middel van een allegorie.

Een koning wees verschillende taken toe aan zijn onderdanen.

Sommige vertrouwde hij het poetsen toe van de paleisjuwelen. Anderen gaf hij de opdracht om een feest voor te bereiden. En nog anderen om de stallen te reinigen. De stalreinigers waren, ondanks dit werk, zeer opgewekt. Dit werk was zeker niet een van de prettigste karweien, maar, zij dienden de koning. Niets kon hun gelukkiger maken dan dat.

Toen de Baal Shem Tov deze uitleg hoorde, vroeg hij de chazan om de diensten dat jaar voor zijn congregatie te leiden.

De Thoralezing van deze week begint met de opdracht om het as te verwijderen van het altaar. ‘s Nachts zouden de offerdelen worden geofferd op het altaar en in de ochtend zouden de priesters de asresten van het altaar nemen en naar een speciale plaats brengen, buiten de legerplaats, later, in de tijd van de Tempel, buiten Jeruzalem.

Er werden priesters aangewezen om dierenoffers te brengen en anderen werden aangewezen om wierook te offeren. En nog anderen werden belast met de taak om het as van het altaar te verwijderen.

Onze geleerden benadrukken dat dit een mindere staat van dienst was, zelfs zo, dat de gewone priesterkleding niet kon worden gedragen, daarvoor in de plaats, minder formele kledij.

Desondanks voerden deze priesters hun taak met groot enthousiasme uit. Zij dienden G’D in de Tempel. Het deed er niet toe hoe zij Hem dienden. Zo lang zij Hem dienden, waren zij gelukkig.

Buiten de Tempel is G’D’s aanwezigheid niet openlijk zichtbaar, zodat we niet dezelfde inspiratie hebben om Hem te dienen. Maar dit is alleen omdat we ons er niet van bewust zijn. Vanuit Zijn perspectief is onze dienst liefelijk en waardevol, of we nu bewust zijn van het enorme spirituele effect of niet. En dit is ongeacht welke dienst van ons gevraagd wordt. Rabbi Sholom Dovber (de Rebbe Rashab) zou zeggen: “Zelfs als G’D ons had opgedragen om hout te hakken, m.a.w een activiteit die schijnbaar geen enkele spirituele waarde blijkt te hebben, doen we dit vreugdevol.”

De Baal Shem Tov bracht dit concept over in zijn interpretatie van vers 8 in Psalm 16 “sjiwitie Hashem lenegdie tamied ” ( Ik heb me de Eeuwige steeds voor ogen ‘gesteld’). m.a.w. Ik ben mij altijd bewust, van de aanwezigheid van de Eeuwige, in alles wat ik doe en alleen door de aanwezigheid van de Eeuwige existeert alles. Sjawè, de wortel van het woord sjiwitie, betekent “gelijk”. Wanneer G’D steeds voor me ogen is gesteld, is alles gelijk voor mij, elke Mitswa die ik doe heeft een gelijke waarde. Elke positieve handeling is een betekenisvolle verbinding met Hem. En elke positieve handeling van ons brengt de komst van Mashiach een stukje dichterbij.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie