PARASHAT TSAV

Verterend Vuur van Liefdevolle Goedheid

De Zohar leert dat de oordelende krachten op het altaar worden verbrand

Zohar, parashat Tsav. P. 27a

Rabbi Acha opent zijn verhandeling met het vers:

Een vuur moet aanhoudend op het altaar blijven branden, het mag niet uitgaan; en de priester moet er hout aan toevoegen, iedere morgen zodat het op laait.(Leviticus. 6:5)

Wat is de reden dat er altijd vuur moet blijven branden op het altaar en waarom moet het elke ochtend worden aangewakkerd [wanneer de Sefira van Chesed heerst]? En waarom wordt aan de priester opgedragen het vuur te maken?

Brandend vuur in welke plaats dan ook representeert streng oordeel. De priester is van de rechterkant [van de Boom van de Sefirot, de zijde van Chesed], die ver verwijderd is van streng oordeel, [de linkerzijde van de Boom]. Vuur is verbonden met boos worden, woede [zoals het woord vurig in de negatieve zin uitdrukt.] Een priester is nooit betrokken bij streng oordeel, en toch moet hij hier] streng oordeel teweeg brengen, [met andere woorden, verterend vuur], om in de wereld op telaaien, zoals staat geschreven:…. de priester moet er hout aan toevoegen iedere morgen zodat het op laait.(Leviticus. 6:5)

Het antwoord is, zoals we hebben geleerd, dat een persoon die tot negatief gedrag komt voor zijn Meester, zijn eigen gebeente in vlam zet met het vuur van zijn kwade inclinatie, met andere woorden, hij doet zichzelf schade aan. De kwade inclinatie is geworteld in de onzuivere zielsspiritualiteit, die wordt opgeroepen in iemand wanneer hij zich negatief gedraagt.

Want bijvoorbeeld, volgens onze Geleerden, zichzelf toestaan om kwaad, woedend te worden, staat gelijk aan afgoderij. Iemand die woedend is verteerd zijn vurige boosheid tot aan het punt waar hij compleet gevoel van realiteit verliest.

Soms is het bekend en herkenbaar welk type van offer wordt vereist om te worden gebracht, in welk opzicht het hersteld.

Een persoon moet offer brengen overeenkomstig aan zijn negatief gedrag. Net zoals een onzuivere zielsspiritualiteit verblijft in een persoon, zo moet hij dus nu laten opgaan in de vlammen van het Altaar.

De onzuivere zielsspiritualiteit, hetzij van de persoon zelf of van hemelse oorsprong vanwaar het kwam, laat zichzelf niet opgaan of verwijderd zichzelf niet, behalve in de vlammen van het Altaar. De vlamman verteren de onzuivere zielsspiritualiteit en allerlei vormen van kwaad in de wereld, omdat het een vuur is dat vuur verteert. Als de priester dienst doet aan het Altaar [die komt van de zijde van Chesed], moet hij in gedachten hebben een vuur te prepareren die allerlei vormen van kwaad in de wereld verteerd.

De reden nu dat het vuur van het Altaar niet uit mag gaan is, dat zijn vermogen en kracht niet zal worden verzwakt omdat het altijd in staat moet zijn het vermogen van die ander kwade kracht te breken en te verdrijven uit deze wereld. Vandaar de frase: “…….het mag niet uitgaan”.

Dit representeert de voortdurende bewuste strijd en inspanning in het herkennen van het heilige en zuivere, de vlam van bewustzijn brandend houden, zelfs in de meest duistere momenten.

De priester had de taak van het instellen en het in stand houden van het vuur op het Altaar en het oplaaien in de vroege ochtend elke dag, omdat dit de specifieke tijd is wanneer zijn zijde [van de Boom van de Sefirot, de zijde van Chesed] heerst en omhoog stijgt in de wereld. Dit is gedaan om de wereld te verzachten (letterlijk “aangenaam zal ruiken, zoals een offer op het Altaar) zodat en het streng oordeel zal worden onderworpen en niet zal ontwaken in de wereld.

En dit is wat we hebben geleerd, dat er een vuur is dat vuur eet. Het hogere vuur eet het “andere”vuur. Het vuur van het Altaar consumeert het “andere”vuur. Dus dit vuur mag nooit en te nimmer worden geblust en het is juist de priester [van de zijde van Chesed] die het dagelijks moet leiden.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie