PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

De geslachten van Jitschak         Genesis. 25:19 – 28:9

 

 

TWEE ZIELEN

 

 Er zijn verschillende niveaus in de dienst aan G’D. Er is een niveau waar het Licht van Heiligheid de duisternis verdrijft, zoals valt op te maken uit de welbekende uitspraak: “een geringe hoeveelheid Licht verdrijft grote hoeveelheid duisternis” (Tanya, Hf. 12) en er is een hoger niveau waar iemand duisternis op zichzelf transformeert in Licht.

 

De Zohar stelt, “De tijd van gebed is de tijd van strijd!” Dit betekent dat er gedurende de tijd van gebed een spiritueel gevecht plaatsvindt tussen de Kwade Inclinatie -wat de duisternis in de mens is- en de Goede Inclinatie -wat Licht is-. De Kwade Inclinatie wordt “duisternis” genoemd, omdat die drang en verlangen enkel en alleen voor fysiek genoegen is.

 

De Kwade Inclinatie wordt essentieel gekarakteriseerd door emotionele eigenschappen als liefde, vrees, hoogmoed, etc. Het heeft evenzo het vermogen van intellect, maar dat intellect is alleen gericht op materiele zaken, door het beramen van allerlei manieren om de fysieke genoegens die zij wenst te verwerven en door het vinden van vele manieren om zichzelf te rechtvaardigen. Soms ziet de persoon in dat hij fout is, maar niettemin vindt hij uiteenlopende redeneringen, zelfs als ze onjuist zijn. Toch gebruikt hij deze onjuiste redenen als basis on zijn verlangens te verkrijgen. Aangezien zijn gedrag gelijk is aan dierlijk gedrag, wordt het intellect van de Kwade Inclinatie de “Dierlijke Ziel” genoemd.

 

De primaire essentie van de Kwade Inclinatie is dat het een “vermogen van begeerte bezit”. Deze wil en begeerte van de Kwade Inclinatie is van uitzonderlijke sterkte, zoals blijkt uit het beroemde gezegde in Soekka 53b, “Hoe meer men zijn animistische verlangens bevredigt, hoe hongerige en wellustiger hij wordt.” Het zelfde is van toepassing op de Kwade Inclinatie: hoe meer men zich overgeeft aan zijn begeerten, des te krachtvoller en vuriger het “vermogen van verlangen” wordt, totdat het uiteindelijk eindigt in het afschuwelijke, G’D verhoede. Dit wordt geïllustreerd door de Rebelse Zoon die rebelleert tegen zijn ouders (Deuteronomium.21:1), wiens gedrag gestaag degenereert door graduele fasen van grofheid. Vandaar dat de Kwade Inclinatie- de Dierlijke Ziel- “duisternis” wordt genoemd. Anderzijds, wordt de Goede Inclinatie, samen met zijn intellect, de G’ddelijke Ziel, “Licht” genoemd, omdat het Licht fuseert in de duisternis van de Kwade Inclinatie en de Dierlijke Ziel. 

 

Deze taak van de Goede Inclinatie en de G’ddelijke Ziel om de duisternis van de Kwade Inclinatie en het Dierlijke te illumineren, wordt een “gevecht” genoemd, aangezien beide, de Dierlijke ziel en de G’ddelijke Ziel, hun beste vermogens aanwenden, ieder probeert zijn opponent te overwinnen. Het verlangen voor controle over zijn enorme tegenstander is zo groot dat alle middelen waardevol worden beschouwd om deze overwinning te behalen.  Wij vinden dat terug in het zegevieren in de strijd, wanneer een koning zijn meest kostbare schatten die zijn verzameld en bewaard, voor vele generaties zal gebruiken en besteden als beide partijen vastberaden strijden om zelfs- indien nodig- te sterven. Deze analogie kan ook worden toegepast op de spirituele strijd tussen de innerlijke krachten van goed en kwaad, ieder gebruikt zijn hoogste capaciteiten om te winnen.

 

De tijd en plaats van deze spirituele worsteling is gedurende het gebed. Dan sterken de G’ddelijke Ziel en de Dierlijke Ziel zichzelf met hun maximale krachten, elk probeert elkaar te overwinnen. Zoals is geschreven over Jacob en Esau in Genesis, 25:23, “ …. en het ene volk zal proberen te prevaleren boven de andere”, verwijzend naar de twee natiën die stammen van Jacob en Esau. In diepe zin, relevant voor de G’ddelijke Dienst van elke Jood, refererend aan respectievelijk het spirituele en het fysieke van deze wereld. Esau, de zoon van Jitschak, wordt “een man van het veld” genoemd (Genesis. 25:27), want zijn interesse lag alleen in het aardse en de wereldse aangelegenheden.  Zijn totale verlangens waren alleen voor fysieke genoegens en voor dit doel handelde hij valselijk en bedrieglijk. Hij had het grootste respect voor zijn vader Jitschak, dat wil zeggen, als hij hem voedsel serveerde, kleedde hij zich in zijn beste kleren, dus vervullend de mitzwa van het eren van iemands vader, maar tegelijker tijd bedroog hij hem ook als het moest.  

 

Jacob echter representeerde het spirituele, als zodanig wordt hij een “ingetogen iemand” genoemd (ibid.), iemand die niet in staat was, noch het verlangen had om anderen voor de gek te houden. Jacobs enige interesse betrof spirituele aangelegen; al zijn gedachten waren gefocust hoe zichzelf op een hoger plan te brengen en te verbeteren, zoals de Talmoed leert, dat een persoon goedhartig moet zijn tegenover andere en toegewijd aan G’D (Kiddoeshin 40a). Zijn hele genoegen was de studie van Thora; hij wordt beschreven als “een tentbewoner” (ibid),  het bestuderen van de Thora, die werd onderwezen in de studiehuis van Sem en Ever.

 

In termen van het dienst doen van een Jood aan G’D, corresponderen Jacob en Esau respectievelijk aan de twee zielen in elke Jood, de G’ddelijke Ziel en de Dierlijke Ziel. Beide zielen wensen de persoon te domineren en bestrijden elkaar. Dit is de betekenis van “ …. en het ene volk zal proberen te prevaleren boven de andere”. Wanneer twee mensen vechten, geeft het eigenlijke gevecht elk een bepaalde hoeveelheid moed en sterkte.

 

 

 

Het zelfde is van toepassing ten aanzien van de spirituele strijd tussen de G’ddelijke Ziel en de Dierlijke Ziel welke plaatsvindt gedurende de tijd van het gebed. Daarom worden tijdens het gebed twee tegenovergestelden emoties geopenbaard in een persoon, een stamt van de G’ddelijke Ziel en de andere van de Dierlijke Ziel. We zien dat tijdens het gebed uiteenlopende vreemde gedachten in iemands brein binnendringen, zodat hij zelfs vergeet dat hij staat in de aanwezigheid van G’D.  Terwijl wanneer iemand wordt beziggehouden met zakelijk aangelegenheden of andere wereldse zaken, zoals eten en drinken, dan dringen geen andere gedachten zijn geest binnen.

 

Daar waar hij spreekt of luistert naar zinloos gepraat, vergeet hij ogenblikkelijk zijn financiële zorgen; maar echter gedurende de periode van gebed, dringen rare en vreemde gedachten zijn brein binnen. We vinden echter ook paragraven of verzen die hij zegt met innerlijke warmte en een vitaliteit die zijn hele wezen doordringt tijdens het gebed ondanks dat iemand niet constant denkt aan de betekenis van het gebed, dus dan niet bedachtzaam en geconcentreerd is. Deze tegenovergestelde disposities komen voort van de G’ddelijke Ziel en de Dierlijke Ziel. De Dierlijke Ziel veroorzaakt het ontstaan van allerlei soorten van vreemde en ongepaste gedachten in iemands brein, die hem afhouden van gebed, terwijl de G’ddelijke Ziel hem inspireert met energie, levenskracht die zich uitdrukt in een onverhoedse hartverscheurende kreet van berouw. Deze uitbarsting stamt van zuivere oprechtheid en compleet vertrouwen dat “hij er van zal worden verlost”.

 

En door de individuele verlossing van elke Jood, die wordt bereikt door middel van het overwinnen van goed en kwaad in hem zelf, zal dit de volledige Verlossing brengen voor ons volk. Dan zullen we allen getuigen zijn van de vervulling van de profetie door onze rechtschapen Mashiach.

 

SHABBAT SHALOM

 

    

 

 

Geef een reactie