PARASHAT TETSAVÉ

Je zult gebieden (Exodus 27:20 – 30:10)

Meer dan veertig verzen van de Thora zijn gewijd aan het gebod dat de Almachtige aan Mozes geeft om “heilige gewaden te vervaardigen voor Aharon, uw broer, welke hem waardigheid en schoonheid verlenen” ( Exodus 28,2).

Wat was zo belangrijk aan de gewaden van de KOHEN GADOL (hogepriester)? Concentreert het jodendom zich niet gewoonlijk op innerlijke levenskwaliteit? En is kleding niet iets uiterlijks? Wat hebben “waardigheid en schoonheid” gemeen met klederen die verondersteld woorden om ” HEILIG ” te zijn? Met bovenstaande vragen hielden sommigen van de klassieke Thora-uitleggers zich bezig.

Nachmanides en anderen wijzen ons er op dat dit de les is die de Thora ons wil leren,dat de kleding de man maakt, of tenminste, dat het helpt.”Waardigheid en Schoonheid” zijn een integraal deel van het “HEILIGE” en dragen bij tot de eer en de achting van een persoon die in publieke dienst het heilige vertegenwoordigt. Zoals de kroon en andere dergelijke koninklijke kledingstukken het respect voor de koning inboezemen, zo versterkt de bijzondere kleding van de KOHEN GADOL zijn positie onder het volk.

Séfèr ha-chinoech (14e eeuw) gaat zelfs verder, de bijzondere kleding voor de kohaniem zou een autosuggestieve betekenis hebben voor hen die de kleding dragen en hen voortdurend herinneren aan hun rol en de HEILIGHEID van hun taak.

Alle uitleggers zijn het erover eens dat de gedetailleerde instructies voor het vervaardigen van de kleding zoals die in de Thora worden gegeven, niet slechts een handboek zijn voor de makers van de kledingstukken maar dat ze ook geladen zijn met mystieke en symbolische betekenis.

Volgens de Thora is kleding een van de eerste elementen in de menselijke beschaving. Nadat Adam en zijn vrouw van de verboden vrucht van de kennis van goed en kwaad hadden geproefd,” werden hun ogen geopend”.

Ze werden door vrees bevangen en waren beschaamd over hun naaktheid (Genesis 1,24;2,7.9).

Het eerste wat de Almachtige voor de mensen doet als ze de beschaving binnentreden is niet een huis voor hun bouwen of hen leren hoe ze instrumenten vervaardigen. HIJ geeft hen kleren:” De Almachtige, G’D maakte voor Adam en zijn vrouw kleren van vel en bekleden hen ermee”( Genesis 3,20).

De Almachtige, als een actieve partner betrokken bij de eerste menselijke inspanningen, verschijnt als kleermaker voor dames en heren. Sommigen zeggen dat het Hebreeuwse woord Lo-voesh, “kleed”, etymologisch afgeleid is van Lo’bosh, “niet schaamte”, de kleren redden de mensen van schaamte en verlegenheid over hun naaktheid.

In de kosmos zoals die door de Thora wordt opgevat en nadien door de rabbijnen, heeft de kleding persoonlijkheid en moet de kleding bijgevolg met respect worden behandeld.

Rabbi Jochanan (een leidende rabbijn uit de derde eeuw) beschrijft kleding als iets wat waardevol maakt en wat waardigheid verleent aan de mens.

Wanneer rabbi Jochanan een doornveld moest doortrekken, hief hij zijn kleed op om het te beschermen. Hij gaf er de voorkeur aan dat zijn benen werden geschramd eerder dan dat zijn kleding zou worden gescheurd.

Ook koning David moest respect opbrengen voor de kleding toen hij op de vlucht was voor de woede van koning Sha’oel. De twee ontmoetten elkaar in een grot in de woestijn van ‘En Gedi. David, zo wordt verteld (1 Sam.24), sneed een hoek van het kleed van Sha’oel af om te bewijzen dat hij Sha’oel van het leven had kunnen beroven, maar dat niet wou. Ondanks deze welwillende daad werd hij niettemin gestraft voor de belediging van het koninklijke kleed. De klederen namen jaren later weerwraak. Toen David “oud was geworden en hoogbejaard, kon hij het maar niet warm krijgen ofschoon men hem met kleren bedekte” (1 Kon. 1,1). De rabbijnen brachten de twee passages bijeen. Ze legden uit dat de kleren die door hem werden beschadigd toen hij een hoek van de mantel van Sha’oel sneed, thans weigerden hem warmte te verschaffen wanneer hij het nodig had.

Meerdere betekenissen werden gelezen in elk van de kledingstukken en in de vervaardiging ervan zoals voorgeschreven in de Thora. We zullen het hier enkel hebben over een van de kledingstukken, de “efod”. Dit kledingstuk fascineert ons en spreekt tot onze verbeelding. Het heeft aanleiding gegeven tot heel wat commentaren van zowel oude als nieuwe uitleggers. De beschrijving van de vervaardiging van de “efod” en van de aangehechte choshèn of borstplaat neemt niet minder dan dertig verzen in beslag (28, 6-35). Het is wellicht moeilijk om een duidelijk beeld te krijgen van hoe de “efod” werd gemaakt en hoe die er in werkelijkheid uitzag, maar we weten uit de Schrift wat de precieze functie was van dit bijzondere kledingstuk.

Op de twee stenen die deel uitmaakten van de “efod” stonden de namen van de stammen van Israël, “de namen van de zonen van Israël. Zes stammen op de ene steen en de namen van de zes andere stammen op de tweede steen, in volgorde van hun geboorte” (28, 9-10). De namen waren op zulke wijze gegraveerd dat “Aharon hun namen voor de Almachtige op de twee schouderbanden droeg als een herinnering” (ibid.,v. 12).

Later lezen we (v.29): “En Aharon zal de namen van de kinderen van Israël…. op zijn hart dragen wanneer hij binnengaat in het heiligdom als een herinnering voor de Almachtige altijd”.

De opdracht tot vervaardiging van de “efod” en de borstplaat leert ons een belangrijke les omtrent verantwoordelijk leiderschap. Er zijn immers heel wat leiders die nadat ze gekozen zijn voor hun hoge ambt, snel de mensen vergeten die ze worden verondersteld te vertegenwoordigen. De namen van de twaalf stammen van Israël moesten worden gedragen op de “schouders”. Op deze wijze zou de leider zich altijd herinneren dat hij niet gedragen wordt op hun schouders om van het goede leven in een hoge post te genieten, maar dat zij voortdurend moeten worden gedragen op zijn schouders, dat hij voor hun noden bezorgd moet zijn en een getrouwe zegsman voor hen heeft te zijn.

Aharon moest de last van zijn zending op zijn schouders dragen. Dit was echter niet voldoende voor een waarachtige leider. Hij moest niet enkel de last van zijn taak op zijn schouders dragen, maar ook zijn hart vullen met liefde en medelijden voor elk lid van zijn volk. Zo lezen we: “En Aharon zal de namen van de kinderen van Israël dragen…. op zijn hart bij zijn betreden van het heiligdom ter herinnering voor de Almachtige altijd”.

Aan een grote chassidische meester, rabbi Yehoeda Tsvi van Stretin, werd gevraagd hoe hij in staat was om al de verzoeken van hen die om zijn tussenkomst verzochten in zijn gebeden op te sommen.

“Ik moet ze niet één voor één opsommen” antwoordde de grote rebbe. “Wanneer een persoon zich tot mij richt en mij zijn moeilijkheden meedeelt, voel ik zoveel voor hem en leef ik zo met heel mijn hart met hem mee tot zijn moeilijkheden een schram in mijn hart kerven. Als het mijn tijd is om in het gebed voor de Almachtige te staan, heb ik slechts mijn hart open te stellen en uit te roepen tot onze Vader in de hemel: Kijk! En wanneer Hij in mijn hart kijkt naar al de schrammen die er in gegrift zijn, dan kan Hij elk detail aflezen van de problemen en moeilijkheden van de lijdende mensen die hun lijden met mij hebben gedeeld”.

Van Aharon, de eerste hogepriester van Israël, kunnen we leren, dat een ware en oprechte leider de noden van zijn volk op zijn schouders draagt en hen in zijn hart schrijft.

Geef een reactie