PARASHAT TETSAVÉ

Je zult gebieden (Exodus 27:20 – 30:10)

Je moet de mantel die bij de éfod hoort geheel van hemelsblauwe wol maken……..En aan de benedenrand moet je aan de omtrek hiervan granaatappels van hemelsblauwe, purperrode en karmozijnkleurige wol maken met rondom gouden belletjes er tussenin…….Aharon moet die aan hebben om dienst te doen, zodat het geluid ervan wordt gehoord als hij het Heilige ingaat voor de Eeuwige en het verlaat, opdat hij niet sterve.

Exodus 28:31- 35

Toen zij Hij: “Ga naar buiten, ga op de berg staan voor de Eeuwige”……..Daar trok de Eeuwige voorbij! En voor de Eeuwige uit een machtige, geweldige storm, die bergen spleet en rotsen verbrijzelde……in de storm was de Eeuwige niet! Na de storm een aardbeving…….in de aardbeving was de Eeuwige niet! Na de aardbeving vuur….in het vuur was de Eeuwige niet! En na het vuur het ritselen van een nauwelijks hoorbaar geruis.

Koningen I,19:11:12

GELUID

Een rijke man inviteerde een bedelaar om met hem de maaltijd te delen. De gastheer zetelde zich geruisloos op zijn stoel en spreidde zijn servet over zijn schoot. De gast, zich zelf bevindend in zijden kussens, in plaats van de gewoonlijk harde bank, was zichtbaar overrompeld en nestelde zich met veel gekraak en gepiep in de stoel, vastbesloten om optimaal van het weelderige te genieten.

De geserveerde soep werd geleidelijk en geruisloos door de rijke man verorberd. Aan de overkant van de tafel, werd een frontale aanval gelanceerd op de delicate porseleinen Chinese soepkom; de zware zilveren lepel kletterde en stortte neer, om elke stomende kostbare druppel goud met hevig hoorbaar verlangen over te brengen.

De aansluitende bestorming van de vleesschotel was niet minder enthousiast. Als de rijke man geruisloos en stukje voor stukje het vlees tot zich nam, was daarentegen zijn tafelgenoot een maalstroom van mes gekletter en smakkende kaken begeleid door de woorden whau, oooh oooh.

In de keuken merkte de kok tegen de butler op, “Eindelijk een man die de haut cuisine waardeert! De Heer des huizes mag onverschillig zijn voor de fijnere dingen in het leven, maar zijn gast!

Wat een passie! Hoe ingenomen is hij, wat een waardering van kwaliteit. Hij is een man met gevoel voor het sublieme.

Je vergist je, verweerde de butler. “Het tegenovergestelde is waar.

De rust van de rijke man indiceert de diepe betrokkenheid met zijn maaltijd, terwijl de bedelaar’s drukke opgewondenheid alleen maar onderstreept hoe vreemd dit alles voor hem is. Voor de rijke man is luxe de essentie van het leven; hij uit zich er niet meer over, net zo min als wij niet elke morgen schreeuwen van vreugde om het feit dat we nog in leven zijn. Maar voor de arme man is het leven een gekookte aardappel, dit is een andere wereldse ervaring. Al dat geluid wat hij voortbrengt is de frictie tussen zijn eigen gewoonten en zelfgenot dat hij tracht in zich op te nemen.

DE BENEDENRAND

Geluid is een teken van weerstand. Rekening houdend, met de geluiden die worden voortgebracht door een houtvuur, brandend stro en een olielamp, is in elke afzonderlijke materie in kwestie de vertering van energie opgesloten. Het houtvuur bied de meeste weerstand, het uit zijn met tegenzin door uiteen te vallen met krakend geluid en plotselinge explosie. Het stro, niet zo fysiek als het hout, protesteert met een fluisterend gesis. En de olie in de lamp, de fijnste substantie van de drie, brand het stilst en is vrijelijk en inschikkelijk met de essentie in zich.

Dus, Elija de Profeet ervoer G’D’s immanentie als “een zachte stille stem.” In zijn verfijnd zelfzijn, biedt de materie van het lichaam geen weerstand tegen de spiritualiteit van de ziel. Hij neemt de G’ddelijke realiteit niet waar in een losgebarsten storm, maar in dezelfde kalme evenwichtige wijze, waar een persoon in zichzelf bewust van is.

En toch, is aan Aaron de Koheen Gadol ( Hoge Priester ) de personificatie van verfijning en spiritualiteit opgelegd, om een mantel te dragen met belletjes aan de benedenrand, ” zodat het geluid ervan wordt gehoord als hij het Heilige ingaat voor de Eeuwige.” Want de Koheen Gadol representeert heel Israël in zijn dienst aan de Almachtige, inclusief diegene waarvoor de connectie met G’D nog steeds een luidruchtige worsteling is, de worsteling om hun eigen externe wereldse verbondenheid te transcenderen en om in hun ware innerlijke identiteit licht brengen.

Aan Rabbi Israel Baal Shem Tov werd eens gevraagd: Waarom maken sommige van u discipelen z’n tumult tijdens het gebed?

Zij schreeuwen, zij zwaaien hevig met hun armen. Is dit de passende wijze om met de Almachtige te communiceren?

De stichter van het Chassidisme antwoordde: Heb je ooit iemand gezien die aan het verdrinken was? Hij schreeuwt, zwaait heftig met zijn armen, hij worstelt met de golven die hem proberen te verzwelgen. Gedurende de gehele dag is een persoon overspoeld met de noodzaak van zijn materiele existentie; gebed is een poging om van het overspoelende water los te komen welke dreigt zijn spiritueel leven te blussen.

Het is inderdaad zo dat z’n luidruchtige dienst aan G’D een indicatie is dat de persoon niet geheel “gearriveerd” is. Was hij succesvol geweest in het transcenderen van het mondaine, zou zijn poging om de Almachtige dichter te naderen veel rustiger zijn, zijn ziel zou in stilte opwaarts stijgen, een vlam zonder onenigheid. Zijn turbulente worsteling geeft het feit weer dat zijn spirituele “ik” nog niet de zetel van zijn identiteit is geworden, dat zijn ” natuurlijk zelf ” nog steeds ligt in de externe materiele aspecten van het leven.

Niettemin is dit een gezond teken: hij is niet bezweken. Hij doet moeite om zichzelf te bevrijden van de begrensde omheining van zijn materiele zijn, zich inspannend om boven zijn huidige beperking uit te rijzen.

Zo zijn de belletjes aan de onderkant van de mantel van de Koheen Gadol een onontbeerlijk deel van de G’ddelijke dienst. ” zodat het geluid ervan wordt gehoord als hij het Heilige ingaat voor de Eeuwige,” commandeert de Thora, “opdat hij niet sterve.”

Als hij de lagere “onderkant” van de natie zou ontkennen, die hij representeert, zou hij in overtreding zijn met de essentie van zijn opdracht. Zou zijn dienst aan de Almachtige niet de worsteling van zijn imperfecte broeders bevatten, zou het geen plaats hebben in G’D’s sanctum.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie