PARASHAT TEROEMÁ

Heffing (Exodus: 25:1 – 27:19)

DEZE PARASHA IS GEDONEERD DOOR PETER EN ANOUK KONINGS

“Waar is G’D?” vraagt de Kotzker Rebbe aan zijn studenten. De studenten stonden perplex. De Rebbe had hen altijd verteld dat G’D overal was, dat elk element van existentie doordrongen is van Zijn wezen. Zij konden de vraag van hun leraar niet beantwoorden.

Ofschoon overal G’ddelijkheid is, moet de mens zichzelf openstellen voor G’D’s betrokkenheid, om G’ddelijkheid te laten voortkomen als een openbarende factor in iemands leven.

Een invitatie aan de gehele mensheid om G’ddelijkheid in deze wereld te brengen. G’D heeft ons opgedragen om Hem een Heiligdom in de wildernis en later in Jeruzalem te bouwen.

Deze opdracht, het onderwerp van de Thoralezing van deze week, stelt de mens in staat om een voortdurende spirituele bron van inspiratie voor onze wereld te creëren.

De Eeuwige sprak tot Mozes…….En dit is de af te zonderen gewijde gave die je van hen in ontvangst moet nemen: Goud…..Ze zullen Mij een heiligdom maken, opdat Ik te midden van hen wonen kan. (Exodus 25: 1-8)

En het hele volk ontdeed zich van de gouden ringen die ze in hun oren hadden en bracht ze naar Aharon……en hij maakte er een gegoten kalf van. (Exodus 32: 3-4)

“Ik heb U een glorieus huis gebouwd,” proclameerde Koning Salomon bij de inwijding van de Beth HaMikdash (Heilige Tempel) in Jeruzalem, “een fundament voor Uw eeuwige inwoning………

Maar kan G’D in deze wereld wonen? Zie, de hemel en de hemel der hemelen kunnen U niet bevatten; hoe kan dit huis dat ik voor u gebouwd heb het dan?!” (Koningen 1, 8:1 en 27). U, die zelfs niet gedefinieerd kan worden door spirituele abstracties, hoe is het mogelijk dat U zegt ” te willen wonen” in een fysiek bouwwerk?

En toch, door verlangen en opdracht, uitte G’D zich als zodanig: “Ze zullen Mij een heiligdom maken, opdat Ik te midden van hen wonen kan.” (Exodus 25:8). En inderdaad, een belangrijk gedeelte van het boek Exodus, (Hoofstukken 25-31 en 35-49 ongeveer 35%) het boek dat onze geboorte als een natie en de vorming van ons verbond met G’D beschrijft, is gewijd aan het geven van G’D’s gedetailleerde instructies met betrekking tot het bouwen van dit heiligdom (verplaatsbare Mishkan of Tabarnakel in de wildernis, voorloper van de Beth HaMikdash, Tempel in Jeruzalem) vanuit fysieke materialen (goud, zilver, koper, hout, wol, linnen en dieren huiden) en de gedetailleerde uitleg aan het Joodse Volk hoe het geconstrueerd moet worden.

G’D, die boven het spirituele en het fysieke uitreikt en vervuld, wenst een “verblijfplaats in de lagere sferen.” (Midrash Tanchoema, Nasso 16) Hij verlangt er naar dat de mens de elementen van materiele existentie zal heiligen door zich in dienst te stellen van Hem, met als gevolg dat zij zich ontdoen van hun mondainiteit en zodoende licht geven aan hun G’ddelijke essentie.

“Dit is”, schrijft Rabbi Schneur Zalman van Liadi “waar het mens zijn om gaat, dit is het doel waarom hij gecreëerd is en waarom zijn ziel neergedaald is in een materieel leven.” (Tanja, hfst. 37)

DRIE OPINIES

De G’ddelijke opdracht om het Heiligdom te bouwen kwam in het eerste jaar van Israël’s verlossing uit Egypte, vlak na de openbaring aan de Berg Sinaï waar G’D Israël koos als Zijn volk en hun de Thora gaf. Een andere gebeurtenis gedurende die zelfde periode was de zonde van het Gouden Kalf: Omdat Mozes het niet haalde om terug te komen op de dag dat de Israëlieten hem terug verwachten, (Rashi, Exodus 32:1) gaven zij hun verbond met G’D op. Terugkerend tot het paganisme van Egypte, maakten en aanbaden zij een afgod van goud in de vorm van een kalf.

Het Gouden Kalf is het toppunt van pervertering van het Heiligdom: ogenschijnlijk analoog, maar in wezen antithetisch.

Beide zijn fysieke objecten en in het bijzonder, objecten van goud, (dominant element in het Heiligdom) het ultieme symbool van materie, en kentekenend en dienend als attribuut voor een G’ddelijke functie. Maar terwijl het Gouden Kalf de aanbidding van materie per se illustreert, representeert het Heiligdom de onderwerping van de materie, om het G’ddelijke kenbaar te maken en te dienen.

Vandaar dat Israël’s constructie van het Heiligdom de ultieme rectificatie was voor hun misstap met het Gouden Kalf en G’D’s manifestatie van Zijn aanwezigheid binnen het Heiligdom een ultiem teken van vergeving was voor hun overtreding. (Midrash Rabba, Shemot 51:3)

Wat kwam eerst, het Gouden Kalf of het Heiligdom?

We weten dat de Thora zeven weken na de uittocht werd gegeven, op de zesde dag van de maand Siewan. (Talmoed, Shabbat 86b-88a) We weten ook dat het Gouden Kalf veertig dagen later werd gemaakt, op de zestiende dag van de maand Tammoez en dat de volgende dag, bij terugkomst van Mozes van de berg waar hij de Joden aanbiddend aantrof, de twee stenen tafelen waarop G’D de Tien Geboden had gegraveerd verbrijzelde. (Talmoed, Taanit 28b)

Israël toonde berouw voor zijn overtreding en Mozes keerde opnieuw bergwaarts om G’D smeken voor hun vergiffenis. Op Jom-Kippoer, de tiende dag van Tisjri, of acht dagen na het breken van de eerste twee tafels, betuigde G’D Zijn totale vergeving aan het Joodse volk en gaf hen een tweede paar tafels. (Rashi op Exodus 33:11, gebaseerd op Deuteronomium 9:9, 9:18 en 10:10)

Wat het Heiligdom betreft zeggen onze geleerden, dat het bijna zes maanden later was voltooid en opgericht, op de eerste dag van de maand Nissan. (Exodus 40:17, de componenten waren compleet op de 25e Kislew, maar G’D gaf de opdracht om het de eerste dag van de maand Nissan op te richten)

Maar wanneer gaf G’D exact de opdracht om Het Heiligdom te bouwen? Was het vóór of ná de affaire met het Gouden Kalf? En wanneer begon het Joodse Volk met de eigenlijke uitvoering van deze opdracht? Er zijn niet minder dan drie verschillende opinies onder onze geleerden betreffende de chronologische gebeurtenissen na de openbaring op de Sinaï.

In de Thora komen deze gebeurtenissen voor in de volgende orde:

a) Het geven van de Thora (Exodus 19-24)

b) G’D’s opdracht om goud te doneren en andere materialen voor de constructie van het Heiligdom en Zijn gedetailleerde instructies hoe het moet worden gebouwd (hoofstukken 25-31).

c) Israël’s aanbidding van het Gouden Kalf, het breken van de Eerste Tafels door Mozes, Israël’s berouw, en de verlening van een tweede paar tafels en G’d’s uiteindelijke vergeving op Jom-Kippoer (hoofdstukken 32-34).

d) De Thora komt terug op het thema van het Heiligdom, beschrijvend de materiële donaties van het Joodse Volk, zijn werkelijke constructie, zijn voltooiing en zijn oprichting en inwijding op de eerste dag van de maand Nissan (hoofdstukken 35-40).

Nachmanides is van mening (zijn commentaar op Exodus 35:1) dat de orde in welke de Thora deze gebeurtenissen relateert, de orde is waarop zij gebeuren. Dus, G’D droeg het bouwen van het Heiligdom op vóór Israël’s aanbidding van het Gouden Kalf, maar de eigenlijke implementatie van deze opdracht begon op de elfde dag van Tisjri, de dag ná Jom-Kippoer, toen het Joodse volk de materialen doneerde voor de constructie (zoals is weergegeven in hfst. 35).

Rashi verschilt van mening. Volgens de officiële interpretatie methode, “Volgt de Thora niet een benodigde chronologische orde,” (Talmoed, Pesachiem 6a) hij stelt dat G’D’s instructie aangaande het Heiligdom pas kwam ná Israël’s berouw en Zijn vergeving voor de zonde van het Gouden Kalf. (Rashi op Exodus 31:18 en 33:11)

Rashi volgt de mening van de Midrash Tachoema, welke verklaart:

“Op Jom-Kippoer waren zij vergeven en op die dag zei G’D aan [Mozes], ‘Ze zullen Mij een heiligdom maken, opdat Ik te midden van hen wonen kan,’ zodat alle volkeren zullen weten dat zij zijn vergeven voor het maken van het Kalf….En G’D zei, Mag het goud van het Heiligdom verzoening brengen voor het goud waarvan het Kalf was gemaakt.’” (Midrash Tanchoema, Teroemá 8)

Een derde opinie, dat van de Zohar, verklaart, dat beide, de G’ddelijke opdracht betreffende het Heiligdom en Israël’s bijdrage van zijn materialen, plaatsvonden vóór het maken van het Gouden Kalf. Volgens de Zohar, “ontkrachtte G’D het Gouden Kalf met het goud van het heiligdom……Aldus is geschreven, ‘ En het hele volk ontdeed zich van de gouden ringen die zij in hun oren hadden’ [om het Gouden Kalf te maken]. (Exodus 32:3)

Zouden zij het nodig hebben gehad om zich van de gouden oorringen te ontdoen , als zij ander goud hadden? Al het andere goud was reeds gedoneerd aan het Heiligdom…..” (Zohar, deel II, 224a)

Het Heiligdom is drie “G’ddelijke woningen” in één. Het is het huis van G’D gecreëerd door een volk dat oprees uit van de diepten van ontaarding om haar verleden van materiele aanbidding te vergoeden en te sublimeren. En het is de verblijfplaats van G’D, “welke zich temidden van hun onzuiverheid bevindt” ( Leviticus 16:16 ) die Zichzelf koestert en manifesteert in de positieve inspanningen van elk individu, ongeacht zijn morele en spirituele staat.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie