PARASHAT TEROEMÁ

Heffing   Exodus. 25:1 – 27:19

 

 BERACHAMIEM LECHAYYIEM

 

Teroema = Thora-Mem  (40), 40 dagen voor persoonlijke transformatie, 40 dagen om een ​​nieuwe innerlijke Thora te ontvangen: hoe om te gaan met een aspect van het leven dat moet worden bijgesteld om een innerlijk  evenwicht te bereiken.  Iedereen die dieet houdt, of een training regime op nahoudt, of stopt met roken etc. kan ongetwijfeld resultaten en veranderingen zien na 40 dagen. De 40 dagen is te relateren aan onze leringen in Limnot Yameinoe: Wie kent 40? De letter Men is het getal 40 voor transformatie: 40 nachten en dagen van de Maboel, vloed; 40 dagen tot aan Matan, het Geven van de Thora; 40 jaar in de Midbar, woestijn; 40 se’ah, maatstelsels in een kosher Mikveh,  voor de onderdompeling in een ritueel bad; 40 jaren tot Bina, gerelateerd aan Imma, moeder. Er is een innerlijke groei van kennis door de 40,Mem. En deze kennis helpt ons om G’D beter te dienen,  om een offer te geven, een Teroema van ons zelf in het verlangen dichter bij te zijn, voor meer G’ddelijkheid op onze wegen. “Om een ​​vriend te verwerven”, G’D, vermeldt in  de bovenstaande Zohar,: “ soms hebben we de hulp nodig van onze Vriend”.   Aarzel niet om hulp te zoeken in je 40-dagen-project van bovenaf. Een beetje hulp heeft een lange weg te gaan van Boven naar Beneden.

 

Dan de laatste regel van het gedeelte van de parasha van verleden week:

 

Mozes was veertig dagen en veertig nachten op de Berg”.

 

 In de spirituele sfeer waarnaar Mozes opsteeg, terwijl hij op de Berg was, is tijd zo compact dat een dag daar gelijk is aan een jaar in onze wereld. Mozes was met G’D voor de equivalentie van veertig jaar.

 

Volgens de wijzen, is veertig jaar de tijd die nodig is voor een student om volledig leringen van zijn meester te absorberen.

 

 Om die reden moest Mozes veertig dagen op de Berg blijven.

 

 EEN TABERNAKEL VOOR ELKE JOOD

 

Het maakt niet uit wat de achtergrond van een persoon is, iedereen kan zich relateren aan het tabernakel.

 

 Likoeté Sichot, vol. 6, p. 153-6

 

 “Zij zullen Mij een heiligdom maken ….” (Exodus. 25:8)

 

Volgens Rashi, gebood G’D het Joodse Volk om het Tabernakel te bouwen, tijdens het verblijf van Mozes in de derde periode van veertig dagen, met andere woorden, tussen de 1e van de maand Elloel en Jom Kippoer, de 10e van de maand Tishré. Mozes bracht deze instructie over aan het Volk toen hij van de Berg naar beneden kwam op Jom Kippoer en het Volk deed iets meer dan twee maanden over de bouw van de structuur en zijn inrichting,  de totale bouw van de Tabernakel eindigde op de 25e van de maand Kislev.

 

 In feite zijn er drie meningen aangaande de instructie om het Tabernakel te bouwen wanneer ze was opgelegd en wanneer het was gebouwd:

 

 

 

·      Volgens één opinie in de Zohar (II:224a), vonden beiden, de instructie en de constructie plaats onmiddellijk bij het Geven van de Thora, met andere woorden vóór de zonde van het Gouden Kalf. (vandaar dat de Joden alleen hun goudenoorringen voor het Gouden Kalf doneerden, want dat was alles wat zij nog over hadden. Zij hadden al de rest van hun goud weggeven voor de constructie van het Tabernakel.)

 

 

 

·      Volgens de Midrash Tanchoema, Teroema 8, vond de constructie plaats ná de zonde van het Gouden Kalf, op Jom Kippoer. Door de Joden te gebieden om Hem een verblijfplaats te bouwen, betoogde G’D dat Hij de zonde van het Gouden Kalf had vergeven.

 

 

 

·      Volgens een tweede opinie in de Zohar (II:195a), hoorde Mozes G’D’s instructie voor de zonde van het Gouden Kalf, maar bracht deze pas over aan het Joodse Volk ná Jom Kippoer.

 

 Op fysiek vlak, kan slechts één van deze meningen correct zijn. Maar op een dieper niveau, identificeren deze drie meningen de drie typen van mensen waarnaar G’D verlangt om Zijn Tabernakel te bouwen, om deze wereld tot een G’ddelijke verblijfplaats te maken. De oneindige Tabernakel moet een product zijn van al deze drie groepen, hoewel elk denkt vrijgesteld te zijn.

 

 1.  De heilige mysticus: Volgens de eerste mening, is de instructie opgedragen aan Joden die rechtschapen, puur en zuiver waren, na hun wedergeboorte bij de Sinaï te hebben meegemaakt. Een dergelijke Jood kan of zou onwillig zijn om zijn handen te bevuilen aan goud en zilver. Hij wordt aangesproken door de eerste mening: “Ondanks al je heiligheid, ben je nog steeds menselijk en fysiek. Je bent niet vrijgesteld van het vervullen van G’D’s doelstelling vanwege het feit van een ziel in het lichaam om lichamelijkheid te heiligen en de fysieke wereld te transformeren tot G’D’s verblijfplaats. Bovendien, heilig zoals je bent, onderhoud je nog steeds op zin minst een minimale relatie met lichamelijkheid: je moet eten, slapen, enz. Indien je weigert je te verbinden met het doel de wereld te veranderen in heiligheid, zal die kleineongezuiverdeverbinding die je hebt om de wereld, je uiteindelijk verstrikken.

 

 2. De “terugkeerder”: Volgens de tweede mening, richt G’D zich tot Joden die hebben gezondigd en berouw hebben, die het Kalf hebben vereerd en nu terugkeren. Een dergelijke Jood is het er mee eens dat een heilig persoon zich bezig houdt met het heiligen van zijn fysieke betrokkenheid in de wereld,  opdat zij hem niet in zijn materiële oriëntatie verstrikt. Hij, de berouwvolle echter, is immuun voor dit gevaar. Hij was aanwezig bij de handeling, hij heeft het gedaan en weet nu beter; hij is onaantastbaar. De tweede mening is aan hem gericht: “De instructie om het Tabernakel te bouwen was gegeven op Jom Kippoer, de Dag van Verzoening, nadat de Joden waren teruggekeerd op het juiste pad en vergiffenis is verleend. Het weten dat je kunt terugkeren is niet compleet voordat je Mij een Tabernakel hebt gebouwd. Het is niet genoeg om afstand te doen van de verlokkingen van materialisme; jij, in het bijzonder, moet de materiele wereld transformeren tot G’D’s verblijfplaats.”

 

 3. De zondaar: Volgens de derde mening, geldt G’D’s instructie zelfs voor zondaars, voor aanbidders van afgodsbeelden. Er is geen vermelding dat G’D het bouwen van de Tabernakel had ingetrokken, nadat de Joden hadden gezondigd of hen her instrueerde het Tabernakel te bouwen na dat zij werden vergeven. Een dergelijke Jood denkt dat het gebod niet voor hem is -om het Tabernakel te bouwen moet je in perfectie zijn-dus tot dan, moet hij weg blijven. Hij wordt aangesproken door de derde mening: ondanks het feit dat de instructie werd gegeven vóór de zonde, werd de instructie niet nietig verklaard.  G’D’s Tabernakel moet worden gebouwd door elke Jood, zelfs degenen die afgod-aanbidders zijn.

 

 SHABBAT SHALOM

 

Geef een reactie