PARASHAT TAZRÍA

Zij geeft zaad (Leviticus 12:1 – 13:59)

Men moet niet ver reizen om het meest wonderlijke gebeuren op aarde te aanschouwen. Het is naast ons: een menselijk wezen. Het joodse dagelijkse gebed, dat oproept tot radicale verwondering over de wereld van de Almachtige, begint met de uitspraken over het menselijke lichaam (ashér jatsar) en de ziel (elokai neshama).

De studie van biologie en genetica gaat in de laatste decennia met reuzesprongen vooruit. Als nooit tevoren zijn we in staat om vele van de functies van ons lichaam te manipuleren. Transplantaties van vitale organen zijn een alledaags iets geworden. Niettegenstaande dit alles, zijn we nog steeds verbaasd over en gefascineerd door de geboorte van één enkele baby, precies zoals onze voorouders dat waren, duizenden jaren terug. Wie kan uitleggen hoe een druppel zaad reist om zich met een geovuleerde eicel te verenigen en een persoon te worden, begiftigd met een goddelijke beeltenis, door de spirituele inhoud vervat in het materiaal? Dit proces, zo schijnt het, is nog steeds een onvatbaar geheim.

Er is nauwelijks enige informatie in de Bijbel omtrent bevruchting en geboorte. Uiteraard prijzen psalmisten en profeten de Maker van het wonderbaarlijke complexe schepsel dat de mens is. Maar ze vertellen ons weinig dat ons helpt om het te begrijpen. In de Bijbelse bronnen schijnt er een bewuste neiging te bestaan om het onderwerp te demythologiseren. De geboorte van de eerste mensenkinderen kon niet op een meer feitelijke manier worden aangekondigd. ,En Adam kende Chava zijn vrouw en ze werd zwanger” (Gen. 4, 1).

Het werkwoord jadah, persoonlijk en intiem “kennen”, is de meest gebruikelijke Bijbelse term voor de seksuele act. Het woord heeft geen enkele mythische connotatie, goden noch godinnen zijn erbij betrokken, evenmin ooievaars of adelaars. Het is een onmiddellijke maar subtiele taalkundige uitdrukking voor een act die de Bijbel ziet als privaat, delicaat en bescheiden.

Bijbelse schrijvers waren over het algemeen niet overmatig preuts inzake seks. Het boven aangehaalde vers had kunnen geschreven zijn op de wijze waarop de New English Bible (Oxford University Press, Cambridge University Press) dat weergeeft: ,The man lay with his wife Eve”. Omdat de Bijbelse schrijver niet opgevoed was in Oxbridge, koos hij een werkwoord dat een meer verfijnde houding tegenover de seksualiteit weerspiegelde.

De sensitiviteit voor de taal ter zijde gelaten, behandelt Thora het onderwerp niet romantisch. Ook wordt het onderwerp niet gehuld in een mysterieuze sfeer. Thora is veeleer directe en feitelijk: “Wanneer een vrouw wordt bevrucht en ze baart een mannelijk kind, dan is ze zeven dagen onrein, zoals in de periode van haar onreinheid door menstruatie” (Lev. 12, 2). Zwangerschap en geboorte worden behandeld op een zakelijke wijze, maar daardoor verdwijnt het hen omringende mysterie niet.

Waarom wordt door de geboorte onreinheid veroorzaakt? Waarom is de nieuwe moeder verplicht om een zondeoffer te brengen? Is de geboorte niet de vervulling van een positief gebod dat aan de mensheid is gegeven: “weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u” (Gen. 1, 28)? En wat met de onreinheid van de vrouw tijdens haar menstruatie?

Om de Encyclopedia Judaïca te citeren (in het artikel Nidda): “De wetten omtrent de menstruerende vrouw bevatten sommige van de meest fundamentele. principes van het halachische [religieus-juridische] systeem. Een nauwkeurige opvolging van de stipulaties is één van de meest onderscheidende tekenen geweest van een voorbeeldig traditioneel joods familieleven.” Weinigen zullen dit tegenspreken, evenmin als de uitspraak die volgt waarin wordt gesteld dat deze wetten behoren tot ,de moeilijkste en meest ingewikkelde in het geheel van de halacha”.

In de Talmoedische literatuur en de Midrashiem wordt met veel lof geschreven over de joodse mannen en vrouwen die zich in hun seksuele relatie houden aan de strikte wetten van reinheid en onreinheid. De wetten van de nidda ressorteren onder de weinige reinheidswetten die overbleven van een groot, machtig complex van wetten op dit gebied gedurende de tempelperiode. Weinig pogingen werden ondernomen om deze wetten te rationaliseren. Ook de middeleeuwse joodse filosofie had weinig te zeggen omtrent dit onderwerp.

Slechts in moderne tijden groeide een omvangrijke literatuur waarin verschillende “redenen” voor deze wetten werden gegeven. Dezelfde wetten kregen later ook de meer aangename benaming tohorat ha-mishpacha, of “familiereinheid”. De redenen die worden opgegeven variëren van medische tot psychologische, van filosofische en sociologische tot zelfs kosmische redenen (zie rabbi Norman Lamms Hedge of roses en vele andere publikaties over dit onderwerp die de laatste jaren het licht zien). Het geheel van al deze uitleggingen brengt ons tot het besluit dat rationaliteit niet voldoende is en dat de wetten van de nidda als deel van het mysterie rond zwangerschap en geboorte verre van ontraadseld zijn.

In een poging om het mysterie te doorgronden vragen de Talmoedische rabbijnen: wat gebeurt de persoon vóór hij op deze wereld verschijnt? Rabbi Simlai, een derde-eeuwse rabbijn, vertelt het volgende (Babylonische Talmoed, Nidda 30): ,Wanneer de foetus in de buik van zijn moeder is, is hij opgevouwen als een schrift. Zijn handen rusten op zijn twee slapen, zijn twee ellebogen op zijn twee knieën, en zijn twee hielen tegen zijn billen. Zijn hoofd ligt tussen zijn knieën, zijn mond is gesloten, zijn navel open en de foetus eet wat de moeder eet en drinkt wat de moeder drinkt. Een licht brandt boven zijn hoofd en hij kijkt en ziet van het ene eind van de wereld tot het andere.

Er zijn geen dagen waarin een persoon groter geluk ontvangt dan in deze dagen. De foetus leert de hele Thora en wanneer hij gaat geboren worden komt een engel naderbij, slaat hem op zijn mond en veroorzaakt dat de hele Thora wordt vergeten. De folklore zegt dat de inkeping van de bovenste lip het resultaat is van de aanraking van de engel.

De Talmoedische beschrijving moet niet enkel genomen worden als fantasierijke folklore. Zonder Freudiaans onderricht of ultrasound doorlichting geeft de Talmoed ons enige ideeën over het prenatale bestaan van de mens. Zien “van het ene einde van de wereld tot het andere” wordt in de Talmoed uitgelegd als de bron van de menselijke verbeelding die ons naar de uiteinden van de wereld voert, vaak begeleid met een gevoel van déjá vu. Het leren van Thora in dit vroege stadium bergt een platonische idee in zich dat de opvoeding voornamelijk een proces is van herinneren van dingen die we voorheen kenden.

Dezelfde bron die de vorming van het embryo in zijn diverse stadia bespreekt, verklaart ook “dat er drie partners zijn voor de mens: God, vader en moeder. De vader geeft de witte substantie waarmee het kind wordt gevormd: beenderen, zenuwen, nagels, hersenen en het wit van de ogen. De moeder voorziet het kind van de rode substantie waarmee het gevormd wordt: huid, vlees, haar, bloed en het zwart van de ogen. God geeft de geest, de adem, de schoonheid van de trekken, het zicht van de ogen, het horen en het vermogen om te spreken en te stappen, om te verstaan en te onderscheiden”.

Ik weet niet of de biologische theorie die hier wordt geboden wetenschappelijk verantwoord is, maar de bedoeling van de rabbijnse homilie is duidelijk. Het gaat om de overdracht van de idee dat de menselijke genen enkel de materiële compositie van het lichaam voortbrengen, terwijl het zien, het horen, de geest en het intellect door de Almachtige gegeven zijn. De mens komt op deze wereld niet enkel als een fysisch wezen maar ook als iemand die het goddelijke beeld in zich draagt en de vrijheid die daarmee gepaard gaat. Zijn menselijkheid is niet iets dat hij naar believen kan nemen of laten.

“Wanneer het kind op het punt staat in deze wereld te komen”, zo gaan de rabbijnen verder, “moet het een eed zweren dat het rechtvaardig zal zijn en niet slecht en dat het niet de gangbare publieke opinie in deze zal volgen”.

Het menselijke leven wordt geboren in zijn uniciteit om te kiezen tussen het goede en het kwade. De mens is niet zoals Heidegger het voorhoudt “geworpen in de wereld”, maar met een bijzonder doeleinde op de wereld gezet. Hij heeft Thora geleerd vóór zijn geboorte, maar leren kan komen en gaan met het knippen van een vinger. Goedheid wordt niet geërfd, maar moet verworven worden in een leven waarin men beslissingen neemt. Elke dag, elk moment moet er gekozen worden tussen goed en kwaad.

Ook Thora is niet gegeven maar moet verworven worden met grote inspanning. ,Als de foetus heel de Thora leert terwijl hij in de buik van de moeder is”, zo vraagt een chassidische meester, “waarom moet de foetus dan vergeten al wat het geleerd heeft? En omgekeerd, als de foetus toch vergeet, waarom moeten er dan inspanningen geleverd worden om het hem aan te leren? Wat is de bedoeling van het leren van Thora in de buik van de moeder?”

Hij stelde deze vraag en antwoordde met een verhaal. Eens reisde een groot koning door het woud, toen hij plotseling het geluid van mooie muziek hoorde. Hij werd betoverd door de melodie en snelde in de richting waar de muziek vandaan kwam. Toen hij daar aankwam, scheen het hem toe dat de muziek uit de omgekeerde richting kwam. Toen hij vervolgens daarheen liep, scheen het hem weer toe dat de muziek uit nog een andere richting kwam.

Hij bracht de hele dag door met het lopen in allerlei richtingen, betoverd door de prachtige melodie, zonder dat hij de muzikanten kon vinden. Evenmin kon hij de melodie vatten. Na veel over en weer geloop en na heel wat gezoek, keerde hij naar zijn paleis terug, maar de melodie die hij gehoord had in het bos, achtervolgde hem nog steeds.

Hij liet alle muzikanten uit het land naar zijn hof komen en vroeg hen om hun hele repertoire te spelen in de hoop dat ze tenslotte de melodie zouden spelen die hij in het bos had gehoord. Zonder succes. Ze speelden vele prachtige betoverende melodieën, maar niet die waarnaar hij op zoek was. Soms speelden ze een melodie die er dichtbij kwam, maar nooit werd het juiste akkoord getroffen. De koning leerde aldus vele melodieën maar hij wist ook dat hij moest volharden in het zoeken naar dé melodie.

Zo zijn we ook gemaakt om Thora te vergeten die we leerden toen we nog in de buik van onze moeder waren. Maar het geeft ons het gevoel dat we met al de Thora die we studeren moeten blijven uitkijken naar de werkelijke Thora die we leerden van de goddelijke engel vóór wij op deze wereld kwamen.

Alhoewel we het vergeten hebben, is er genoeg voor ons overgebleven om te weten dat er altijd meer is van Thora, dat we altijd nog te leren hebben.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie