PARASHAT TAZRIA / METSORA

Zij geeft zaad / ‘Melaatse’ (Leviticus 12:1 – 13:59 / 14:1 – 15:33)

Een verhandeling vanuit de geschriften van de Ari

De wekelijkse parasha begint met drie- ogenschijnlijk- niet verwante onderwerpen. De rituele onreinheid van een vrouw, na de geboorte van een kind; het gebod om een mannelijk kind acht dagen na zijn geboorte te besnijden en de rituele onreinheid tengevolge van de omstandigheid genaamd Tsara’at. (Een term die vaak verkeerd wordt vertaald als “lepra”, maar in feite verwijst naar een unieke aandoening, die er alleen was in de tijd toen de Tempel bestond en enigszins uiterlijke overeenkomst vertoont met wat wij heden ten dage lepra noemen.)
Vanwege de volgorde van de onderwerpen, die zeer kenmerkend zijn in de Thora, wekt het naast elkaar zetten van deze onderwerpen een belangstelling voor een uitleg.  

Bovengenoemde types van rituele onreinheid, zijn puur spirituele omstandigheden en moeten niet worden verward met medische of hygiënische condities. Ofschoon spirituele onreinheid wordt teweeg gebracht door fysieke condities en fysieke repercussies hebben, is het meer een psychologische malaise dan een fysieke. De rituele onreine persoon lijdt aan typische psychologische aandoeningen die geassocieerd zijn met dood, depressie, ego, of andere condities en vormen een  antithese voor een vreugdevol optimistische karakteristiek van een gezonde spiritualiteit.
Om een actief en gezond spiritueel leven te hervatten, moet hij\ zij  “gereinigd” zijn van deze mentaliteiten. Dit is evident in de verhandelingen van de Arizal die worden ingezet in deze bespreking.

De parasha opent met (letterlijke hebreeuwse tekst): En G’D sprak tot Mozes, zeggend: “Spreek tot de Kinderen van Jisraël, zeggend: Als een vrouw moet bevallen en ze krijgt een jongen dan wordt ze zeven dagen onrein, net zo lang als de afzonderingstijd bij haar ongesteldheid, zal ze onrein zijn. En op de achtste dag moet hij aan de voorhuid van zijn lichaam besneden worden.” (Leviticus. 12:1-3)
Het is de moeite waard om te onderzoeken, waarom de Thora het woord “zeggend” twee maal vermeldt in deze passage; waarom het gebod van de besnijding wordt genoemd in de context van menstruele onreinheid en dat de onreinheid plaats vindt door tsara’at. Wat hebben zij gemeen?

Bovendien, continueert de Thora: “Wanneer iemand op de huid van zijn vlees een zwelling krijgt of een uitslag of een glimmende plek, die zich daar tot een huidziekte, Tsara’at, ontwikkelt………” (ibid. 13,2)
De woorden in dit vers lijken in een verkeerde volgorde te staan, het zou moeten zijn: ”Wanneer iemand in de huid van zijn vlees de Tsara’at ziekte heeft, in de vorm van een zwelling, een uitslag, een glimmende plek…….”

Het bovenstaande wordt door de verklaring van onze geleerden begrijpelijker. Vanwege de ongehoorzaamheid van Eva aan het gebod van G’D, zou zij de periodieke bloeding en de maagdelijke bloeding ( bij het eerste huwelijkse geslachtsverkeer) moeten ondergaan. (Eroeviem 100b)
Zij concluderen deze dubbele bloeding vanwege de dubbele uitdrukking in het Hebreeuwse vers, “Ik zal [je lijden] dubbel verhogen.” (Genesis. 3-16)

 Oorspronkelijk was de vrouw fysiologisch geschapen zonder een menstruele cyclus en het proces van zwanger worden en het baren veroorzaakten geen bloedingen. Evenmin had zij bloedingen bij het eerste huwelijkse geslachtsverkeer. Deze en alle andere facetten van het leven kwamen tot realiteit als gevolg op de eerste oorspronkelijke zonde. Met andere woorden, door de onjuiste wijze van denken en de verkeerde kijk op het leven, die Adam en Eva leidden na het nemen van het verboden fruit, vonden er in de realiteit zekere fysieke veranderingen plaats, waaronder de menstruele cyclus en de maagdelijke bloeding.
Door er op de juiste wijze mee om te gaan, zou de mensheid een ideale spirituele volwassenheid ondergaan, die tenslotte zal leiden naar de uiteindelijke Verlossing. In die tijd zijn deze condities van een gevallen realiteit niet langer van toepassing, en het leven, inclusief de vrouwelijke fysiologie, zal terugkeren naar zijn Paradijselijke staat.

Met deze kennis onderzoeken we de bovengenoemde drie punten met behulp van de verhandelingen van de Arizal. Dit is de uitleg waarom er een herhaling van het woord “zeggend” in het openingsvers is.

“En G’D sprak tot Mozes, zeggend”- dit is, wat Ik te zeggen heb aangaande menstruele en maagdelijke bloeding. Als het Joodse Volk jou vraagt waarom zij onrein worden door menstruele bloeding, aangezien zij een heilig volk zijn, dan……….

“Spreek tot de Kinderen van Jisraël, zeggend.” – “Zeg hen dat het is omdat Eva overschreed wat Ik haar vertelde te doen, zij was het die het lijden van onreinheid en menstruatie bracht. Om deze reden………”

“Als een vrouw bevalt en een zoon baart, is zij voor zeven dagen onrein, net zo lang als de afzonderingstijd bij haar ongesteldheid, zal ze onrein zijn.”

Het eerste verwijst naar G’D’s aanspreken van Mozes aangaande de geboden van geborenen en de tweede is het antwoord aan het Joodse Volk voor hun potentiële vraag naar de reden van deze geboden. Zij zijn een gevolg van de overtreding van Adam en Eva op G’D’s gebod.

 Waarom het gebod van de besnijdenis geplaatst is tussen de geboden van menstruele onreinheid en tsara’at onderzoeken we nu als tweede punt met de verhandeling van de Arizal.

Het gebod om te besnijden wordt genoemd in verband met de onreinheid van menstruatie, aangezien het de besneden persoon zal weerhouden om zich te verontreinigen aan spirituele onreinheid van menstruatie. Doordat G’D ons oplegt om een mannelijke baby te besnijden wanneer hij acht dagen oud is, verzwakken wij de onreine kracht en elimineren de kwade aandrift.
De voorhuid van het mannelijk voortplantingsorgaan effectueert zijn belevenis van echtelijke relatie op twee manieren: het verhoogt in grote lijnen zijn seksuele genot en verlaagt zijn gevoeligheid voor zijn vrouw door zich van haar, in bepaalde mate, te isoleren. Door verwijdering van de voorhuid, wordt de ervaring van de echtelijke relatie voor de man een minder narcistische bevrediging en vormt een ware, meer religieuze spirituele hechte verbintenis met elkaar  waarin ook de fysieke dimensie wordt verhoogd. De wijzen van de Talmoed verklaren om die reden dat idealiter, het Joodse paar de ware vreugde ervaart in de echtelijke relatie.

Gedurende de menstruatie, is de vrouw te zelfbetrokken om een echtelijke relatie aan te gaan met die gepaste spirituele oriëntatie. De Thora verbiedt dus echtelijke relatie gedurende die periode. ( Taharat Ha Mischpacha)

Wanneer een man is besneden, bewaart hij meer controle over zijn seksuele passie. Vervolgens, indiceert de besnijdenis dat de man de dienaar van G’D is, gekenmerkt met Zijn zegel. Als zodanig zal hij zeker niet de geboden van zijn Meester overtreden.

De Thora verwijst naar de besnijdenis als een “teken”van het verbond tussen G’D en het Joodse Volk. De Joodse man is dus getekend als G’D’s dienaar en dit dient om hem te herinneren dat hij verantwoordelijkheden heeft tegenover een hogere autoriteit.

Om die redenen is het gebod van de besnijdenis geplaatst tussen de geboden van menstruele onreinheid en de onreinheid die tsara’at veroorzaakt, want de besnijdenis beschermt hem van beide. Hij wil geen seksuele relaties aangaan met een menstruerende vrouw en wil ook nederig en bescheiden van geest blijven, en de arrogantie schuwen, zoals een dienaar betaamt met een zegel van zijn Meester.

Met behulp van de Arizal  onderzoeken we nu het derde punt: over de onreinheid die wordt verwekt door tsara’at.  Daarin spreekt hij van  arrogantie of een meerwaardigheidsgevoel als de wezenlijke essentie van tsara’at.  Er zijn drie types van arrogantie: een persoon is arrogant in zijn hart, maar tegenover iedereen gedraagt hij zich nederig. ( een vorm van schijnheiligheid).

Een tweede type van arrogantie is, wanneer een persoon zich superieur voelt aan diegene die is zoals hij\zij, maar niet aan diegene welke hem overtreft in wijsheid of status. Dit type van arrogantie wordt “een uitslag” genoemd. Het Hebreeuwse woord voor “uitslag”, “sapachat”, betekent een verbonden toevoeging in de zin van “deel uit maken” en “verbinden”.

Het derde type van arrogantie is ernstiger [en vereist daarom een langer proces van zuivering]. Dit is de “glimmende vlek”, wat betekent, dat de persoon zich superieur voelt en ook zo handelt, zelfs tot diegenen die hem in wijsheid, status of rijkdom overtreffen. Hij\zij  handelt schaamteloos tegenover iedereen.
Daarom zinspeelt dit type van arrogantie op de sterk glimmende vlek.

G’D verafschuwt al deze vormen van arrogantie, alle drie vormen veroorzaken het lijden aan de onreinheid van Tsara’at, zelfs de eerste, welke de meest onschadelijke is van de drie, omdat het alleen innerlijk is. Daarom herhaalt de Thora de frase “in de huid van”, om te aan te geven dat hij\zij weloverwogen is getroffen met deze onreinheid, zelfs al was het niet zichtbaar voor de buitenwereld en dat hij\zij  naar behoren gestraft wordt.

De Arizal heeft met betrekking tot de volgorde van de woorden in het vers over tsara’at gesproken.  Hij eindigt in het kort met het algemene probleem van arrogantie.

Zoals eerder is genoemd, werpt arrogantie een grove smet op iemands persoonlijkheid, zo zelfs dat G’D het haat. Vandaar dat er is geschreven, “De Eeuwige regeert, Hij is gekleed in hoogmoed.” (Psalm 93:1) m.a.w  G’D omhult Zich met het kledingstuk van arrogantie en hoogmoed in het regeren van de wereld, om zijn schepselen schrik aan te jagen, maar ontdoet zich er direct weer van. Om aan te geven hoe afschuwelijk dit is. Waarop onze wijzen verklaren: “Telkens wanneer er in de Bijbel G’D’s grootheid wordt aangehaald, wordt onmiddellijk Zijn nederigheid genoemd.” (Meggilla 32a)

Met de boven gegeven uitleg kunnen we de aangehaalde verzen beter begrijpen.

Rabbi Jitschak Luria […Ashkenazie ben Shlomo] ( 5294 – 5331 = 1534 – 1572 ) Jaartijd van overlijden: 5e Av. Begraven op het oude kerkhof van Tzfat.
Gewoonlijk bekend als de Ari, Ook Rabbenoe HaAri HaKadosh [de heilige Ari] of Arizal [de Ari in gezegende herinnering].

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie