PARASHAT TAZRIÁ

ZIJ GEEFT ZAAD              (LEVITICUS 12:1 – 13:59)

DE ESSENTIE VAN RITUELE ONREINHEID

 

Een van de meest onbegrepen concepten van de Thora is de inhoud van de woorden toema en tahara. Vertaald als “onrein”en “rein” of “onzuiver” en “zuiver”, toema en tahara, en bij extensie de wetten van Niedda (vrouwelijke menstruatie) en familie-reinheid, roepen vaak een negatief respons op. Waarom is de vraag, moet een vrouw gestigmatiseerd worden als tamé, “onrein”? Waarom zou zij zich inferieur moeten voelen over een natuurlijk proces in haar lichaam? Het mag zeer oprecht gezegd worden dat deze bedenkingen voortkomen vanuit een fundamentele mis opvatting.

 

 

 

Toema

 

en tahara zijn spirituele en geen fysieke concepten. De wetten van Toema, Niedda en Mikwe (ritueel bad) behoren tot die categorie van geboden in de Thora die bekend staan als Choekkiem, G’ddeljke uitvaardigingen waar geen uitleg aan is gegeven. Zij zijn niet logischerwijze te begrijpen, zoals de wetten van diefstal of moord, of die wetten die dienen als herinnering van nationale gebeurtenissen in onze geschiedenis, zoals Pesach en Soekkot. De wetten van Toema en Tahara zijn supra-rationeel, “boven alle redenatie”. En het is precies daarom dat zij op zulk hoog spiritueel niveau zijn, boven het bevattingsvermogen van het intellect, zodat zij een deel van de ziel verheft en affecteert, dat deel van de ziel dat alle redenatie overtreft. Maar al kan het menselijke verstand deze G’ddelijke regels niet logisch verwerken, kunnen wij als nog proberen om hun spirituele innerlijke betekenis en belang te onderzoeken en te begrijpen.

 

Vanuit deze poging is de leer van de Chassidische filosofie van onschatbare waarde en hulp, want de studie van Chassidoet releveert het innerlijke aspect van de Thora, haar “ziel”, het kan ons leiden door sferen waar menselijk intellect hulpeloos in is.

 

Chassidisme streeft naar de directe waarneming van het schuilgaande G’ddelijke in alles en belicht de spirituele bronnen van alle fysieke fenomenen.

 

 

TOEMA ALS DE AFWEZIGHEID VAN HEILIGHEID

De Chassidische leer legt uit dat Toema, in essentie, “spirituele onreinheid” is in de zin van “afwezige heiligheid”. Heiligheid wordt genoemd “leven””vitaliteit”, het is dat wat verenigd is met en voortkomt uit de bron van al het leven, de Schepper. De Chassidische filosofie verklaart verder dat de ware binding met G’D is, door heiligheid, betekend dat iemands eigen onafhankelijke existentie in een staat van Bittoel is,”wegcijfering” tegenover G’D. Het tegenovergestelde is, wat is verwijderd of gesepareerd van de bron en wordt genoemd “dood” en “onreinheid”. Volgens de Thorawet is de dood de principiële oorzaak van alle Toema, de hoogste graad van Toema komt door aanraking van een dood lichaam. De krachten van kwaad zijn in de terminologie van kabbala en Chassidisme, de Sitra Achra, “de andere kant”. Zij zijn wat is “de andere kant”, wat ver van G’ds aanwezigheid en heiligheid is. Zij gedijen in de sferen waar Hij het meest verhuld is en het minst gevoeld wordt, daar waar heiligheid het minst is. In een omgeving waar G’d het minst aanwezig is, is natuurlijkerwijs meer ruimte voor “oppositie” tegen Hem. Vandaar dat, spiritueel gezien, boven alles het meest kwade en het meest onreine in een persoon het eigenbelang is. Men duwt G’Ds aanwezigheid weg en creëert een leegte, een vacuüm waar Zijn aanwezigheid zou moeten zijn. Dit is de diepere betekenis volgens de Chassidische leer van de uitdrukking ” het veroorzaken van een “chiloel Hashem,” het ontheiligen van G’D’s naam, men zal niet een chalal ( leegte) maken, een ruimte zonder Zijn aanwezigheid.

Heiligheid staat gelijk aan bittoel, onafhankelijk existentie van G’D heeft geen waarheidszin. Daarom zeggen onze geleerden ons dat arrogantie gelijk staat aan afgoderij, want afgoderij betekent in essentie, dat iets wordt beschouwd als onafhankelijk van zijn schepper en zichzelf in plaats stelt van Hem.

Vandaar, als wij de woorden “rein”en “onrein” ontdoen van hun fysieke bijbetekenissen en hun ware spirituele betekenis beseffen, zien we wat zij echt te kennen geven, heiligheid of afwezigheid van heiligheid.

EEN BELANGRIJK VERSCHIL TUSSEN TWEE TYPES VAN TOEMA

In dit stadium van de verhandeling zouden we ons moeten afvragen: Waarom moet Toema überhaupt bestaan? Welk doel heeft het in G’D’s schepping? “De almachtige heeft het één tegenover het andere geschapen,” het boek Prediker vertelt ons, en zoals de Chassidische leer het interpreteert, alles in de sfeer van heiligheid heeft zijn tegenhanger in de sfeer van onheiligheid.

Aan de ene kant zijn deze tegenovergestelden sferen geschapen zodat wij over een “vrije keus” kunnen beschikken`. En een dieper niveau, zoals Chassidisme verklaard, wanneer wij het kwaad verwerpen en kiezen voor het goede en daarnaast, het kwaad transformeren tot in goed, heeft dat niet alleen een effect op ons zelf, maar ook een uitwerking op de wereld en brengt de uiteindelijke perfectie dichterbij. Vandaar dat het uiteindelijke doel van toema, de “andere kant”, is om ons te stuwen naar hogere niveaus. Zoals een zeer bekende Chassidische uitspraak luidt: “Elke verlaging is als doel een grotere verheffing” en allen verhullingen van G’D maken plaats voor een groter openbaring. Wanneer de ziel neerdaalt in deze wereld om zich te vestigen in een fysiek lichaam, ondergaat het een onvergelijkbare verlaging met de voorafgaande zuiver spirituele existentie. Het doel niettemin van deze verlaging is, om de ziel de mogelijkheid te geven zelfs hoger te stijgen in zijn bevattingsvermogen van G’D en een meer verheffende status te verkrijgen dan voor het in deze wereld neerkwam. Het kan deze verheffing alleen verkrijgen door middel van een lichaam die G’D dient in deze lagere fysieke wereld. Maar er is verhulling en onreinheid in deze lagere wereld, daar tegenover, kan alleen door zijn worsteling hier de ziel hoger rijzen. We moeten hen in twee types van Toema, twee types van “verlaging” onderscheiden. Er is een Toema die wij zelfs creëren wanneer wij opzettelijk G’Ds aanwezigheid wegduwen en een leegte laten ontstaan; en er is een Toema die G’D heeft geschapen als deel van de natuur. Dit onderscheid is cruciaal om Niedda ( regels t.a.v. menstruatie ) te begrijpen. De Toema, de onreinheid die is verbonden met de zonde, is een leegte de we creëren en waarbij we ons zelf verlagen. De Toema van Niedda, daarentegen, is een wezenlijk onderdeel van de vrouwelijke natuurlijke maandelijkse cyclus. Haar “verlaging” van een hoogniveau van potentiele heiligheid ( m.a.w. waar een leven mogelijk is ) betekend niet dat zij, G’D behoede, “zondigt”of “degenereert”, “inferieur”of “stigmaties is. Integendeel, juist omdat er zo een heiligheid betrokken is in de vrouwelijke eigenschap, het Goddelijk vermogen om, ex nihilo, nieuw leven te scheppen vanuit haar lichaam, is er ook de mogelijkheid voor grotere Toema–maar evenzo een groter Verheffing.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie