PARASHAT TAZRIA

Zij geeft zaad


Leviticus 12:1 – 13:59


Een verhandeling vanuit de geschriften van de Ari

De wekelijkse parasha begint met drie ogenschijnlijk niet verwante topics. De rituele onreinheid van een vrouw, verkregen na de geboorte van een kind, het gebod om een mannelijk kind acht dagen na zijn geboorte te besnijden, en de rituele onreinheid tengevolge van de omstandigheid genaamd Tsara’at. (Een term die vaak verkeerd wordt vertaald als “lepra”, in feite verwijst het naar een unieke aandoening, die alleen existeerde in de tijd toen de Tempel bestond en alleen maar een enigszins uiterlijke overeenkomst vertoont met wat wij heden ten dage lepra noemen.)
Aangezien de orde van de onderwerpen in de Thora zeer kenmerkend zijn, smeekt de juxtapositie van deze drie topics om uitleg.

Bovengenoemde types van rituele onreinheid, zowel de menstruele onreinheid, welk ook een deel is van de volgende verhandeling, zijn puur spirituele omstandigheden en moeten niet worden verward met medische of hygiënische condities. Hoewel spirituele onreinheid wordt teweeg gebracht door fysieke condities en fysieke repercussies hebben, is het meer een psychologische malaise dan een fysieke. De rituele onreine persoon lijdt aan typische psychologische aandoeningen die geassocieerd zijn met dood, depressie, ego, of andere condities, en zijn antithetisch voor een vreugdevol optimistisch karakteristiek van een gezonde spiritualiteit.
Om een actief en gezond spiritueel leven te hervatten, moet hij “gereinigd” zijn van deze mentaliteiten. Dit is evident in de verhandeling van de Arizal.

De parasha opent met (letterlijke Hebreeuwse tekst): En G’D sprak tot Mozes, zeggend: “Spreek tot de Kinderen van Jisraël, zeggend: Als een vrouw moet bevallen en ze krijgt een jongen dan wordt ze zeven dagen onrein, net zo lang als de afzonderingstijd bij haar ongesteldheid, zal ze onrein zijn. En op de achtste dag moet hij aan de voorhuid van zijn lichaam besneden worden.” (Leviticus. 12:1-3)
Het is de moeite waard om te onderzoeken, waarom de Thora het woord “zeggend” twee maal vermeldt in deze passage, daar eenmaal meer dan voldoende is.
En we moeten ons ook richten op het feit waarom het gebod van besnijding wordt genoemd in de context van menstruele onreinheid en dat de onreinheid plaats vindt door tsara’at. Wat hebben zij gemeen?

Bovendien, continueert de Thora: “Wanneer iemand op de huid van zijn vlees een zwelling krijgt of een uitslag of een glimmende plek, die zich daar tot een huidziekte, Tsara’at, ontwikkelt………” (ibid. 13,2)
De woorden in dit vers lijken in een verkeerde volgorde te staan, het zou moeten zijn: ”Wanneer iemand in de huid van zijn vlees de Tsara’at ziekte heeft, in de vorm van een zwelling, een uitslag, een glimmende plek…….”
Al het bovenstaande maakt de verklaring van onze geleerden begrijpelijker dat naar aanleiding van Eva’s ongehoorzaamheid aan het gebod van G’D, zij de bloeding van menstruatie en de maagdelijke bloeding bij het eerste huwelijkse geslachtsverkeer moest ondergaan. (Eroeviem 100b)
Zij concluderen deze dubbele bloeding van de dubbele uitdrukking in het hebreeuwse vers, “Ik zal [je lijden] dubbel verhogen.” (Genesis. 3-16)

Oorspronkelijk was de vrouw fysiologisch geschapen zonder een menstruele cyclus en het proces van zwanger worden en het baren veroorzaakten geen bloedingen. Evenmin had zij bloedingen bij het eerste huwelijkse geslachtsverkeer. Deze, en zowel als alle andere facetten van het leven kwamen tot realiteit als gevolg van de primordiale zonde. Met andere woorden, door de onjuiste wijze van denken en de verkeerde kijk op het leven, die Adam en Eva leidde naar het nemen van het verboden fruit, vonden er in de realiteit zekere fysieke veranderingen plaats, waaronder de menstruele cyclus en de maagdelijke bloeding.
Door ervaring met dit fenomeen en er op de juiste wijze mee om te gaan, zou de mensheid een ideale spirituele volwassenheid ondergaan, die tenslotte zou leiden naar de uiteindelijk Verlossing. In die tijd zijn deze condities van een gevallen realiteit niet langer van toepassing, en het leven, inclusief de vrouwelijke fysiologie, zal terugkeren naar zijn Paradijselijke staat.

Dit is de uitleg van het openingsvers:

“En G’D sprak tot Mozes, zeggend”- dit is, wat Ik te zeggen heb aangaande menstruele en maagdelijke bloeding. Als het Joodse Volk jou vraagt waarom zij onrein worden door menstruele bloeding, aangezien zij een heilig volk zijn, dan……….

“Spreek tot de Kinderen van Jisraël, zeggend.” – “Zeg hen dat het is omdat Eva overschreed wat Ik haar vertelde te doen, zij was het die de onreinheid van menstruatie tot lijden bracht. Om deze reden………”

“Als een vrouw bevalt en een zoon baart, is zij voor zeven dagen onrein, net zo lang als de afzonderingstijd bij haar ongesteldheid, zal ze onrein zijn.”

Tot zo ver heeft de Arizal zijn eerste vraag beantwoord, namelijk, waarom de herhaling van het woord “zeggend” in het openingsvers. Het eerste verwijst naar G’D’s aanspreken van Mozes aangaande de geboden van geborenen, en de tweede is het antwoord aan het Joodse Volk voor hun potentiële vraag naar de reden van deze geboden. Zij zijn een gevolg van anderen, anders “zeggend”
G’D’s gebod aan Adam en Eva.

Het gebod om te besnijden wordt genoemd in verband met de onreinheid van menstruatie, aangezien het de besneden persoon zal weerhouden om zich te verontreinigen aan spirituele onreinheid van menstruatie. Dit is de reden dat G’D ons oplegt om een mannelijke baby te besnijden wanneer hij acht dagen oud is, want daardoor verzwakken wij de onreine kracht en elimineren de kwade aandrift.
De voorhuid van het mannelijk voortplantingsorgaan effectueert zijn belevenis van echtelijke relatie op twee manieren: het verhoogt in grote lijnen zijn seksuele genot en verlaagt zijn gevoeligheid voor zijn vrouw door zich van haar, in bepaalde mate, te isoleren.
Door verwijdering van de voorhuid, wordt de ervaring van de echtelijke relatie voor de man een minder narcistische bevrediging en vormt een ware, meer spirituele hechte verbintenis met elkaar. Als eenmaal de spirituele dimensie is mogelijk gemaakt, verhoogt het de fysieke dimensie eveneens.
De wijzen van de Talmoed verklaren om die reden dat idealiter, het Joodse paar de ware vreugde ervaart in de echtelijke relatie.

Gedurende de vrouwelijke menstruatieperiode, is zij te zelfbewust om echtelijke relatie aan te gaan met de gepaste spirituele oriëntatie.
De Thora verbiedt dus echtelijke relatie gedurende die periode.
Wanneer een man is besneden, bewaart hij meer controle over zijn seksuele passie, en is dus minder zwichtbaar. Zijn besnijdenis helpt hem dus om niet verboden echtelijke relaties aan te gaan en relatie te hebben met zijn vrouw, gedurende haar periode.

Vervolgens, indiceert de besnijdenis dat de man de dienaar van G’D is, gekenmerkt met Zijn zegel. Als zodanig zal hij zeker niet de geboden van zijn Meester overtreden.

De Thora verwijst naar de besnijdenis als een “teken”van het verbond tussen G’D en het Joodse Volk. De Joodse man is dus gebrandmerkt als G’D’s dienaar, dit bewustzijn dient om hem te herinneren dat hij verantwoordelijkheden heeft tegenover een hogere autoriteit.

Om die redenen is het gebod van de besnijdenis geplaatst
tussen de geboden van menstruele onreinheid en onreinheid die tsara’at veroorzaakt, want de besnijdenis beschermt hem van beide. Hij wil geen seksuele relaties aangaan met een menstruerende vrouw, en wil ook nederig en bescheiden van geest blijven, en de arrogantie schuwen, zoals een dienaar betaamt met een zegel van zijn Meester.

De Arizal heeft nu de tweede vraag beantwoord, waarom is het gebod van de besnijdenis geplaatst tussen de geboden van menstruele onreinheid en tsara’at. De Arizal zal nu uitleggen dat arrogantie of meerwaardigheidsgevoel de wezenlijke essentie is van tsara’at.

Er zijn drie types van arrogantie: een persoonstype is arrogant in zijn hart, maar tegenover iedereen gedraagt hij zich nederig. Over dit persoonstype zegt de Thora, “wanneer een man in de huid van zijn vlees een zwelling heeft,” betekent dat, dat zijn arrogantie [“zwelling”] diep verborgen is in het vlees van zijn huid en niet zichtbaar is voor iedereen. Het is een egocentrische persoonlijkheid.

Een tweede type van arrogantie is, wanneer een persoon zich superieur voelt aan diegene die is zoals hij, maar niet aan diegene welke hem overtreft in wijsheid of status. Dit type van arrogantie wordt “een uitslag” genoemd. Het Hebreeuwse woord voor “uitslag”, “sapachat”betekent een verbonden toevoeging zoals in het vers, “Voeg mij toe alstublieft (“sapcheini”), tot een van de priesterlijke plichten (Samuel 1, 2:36), in de zin van “deel uit maken” en “verbinden”. Het verwijst dus naar iemand die zich alleen superieur voelt aan diegene van zijn eigen kaliber.

Het derde type van arrogantie is ernstiger [en vereist daarom een langer proces van zuivering]. Dit is de “glimmende vlek”, wat betekent, dat de persoon zich superieur voelt en handelt zelfs tot diegenen die hem in wijsheid, status of rijkdom overtreffen. Hij handelt schaamteloos tegenover iedereen.
Daarom zinspeelt dit type van arrogantie op de sterk glimmende vlek.

G’D verafschuwd al deze vormen van arrogantie, alle drie vormen veroorzaken het lijden aan de onreinheid van Tsara’at, zelfs de eerste, welke de meest onschadelijke is van de drie, omdat het alleen innerlijk is. Daarom herhaalt de Thora de frase “in de huid van”, om te aan te geven dat hij weloverwogen is getroffen met deze onreinheid, zelfs al was het niet zichtbaar voor de buitenwereld en dat hij naar behoren gestraft wordt. Uiteraard, en zelfs meer in het geval van de twee andere vormen van arrogantie, welke gruwelijker zijn.

De Arizal heeft nu zijn derde vraag beantwoord, met betrekking tot de volgorde van de woorden in het vers over tsara’at.
Hij bespreekt nu in het kort het algemene probleem van arrogantie.

Zoals eerder is genoemd, werpt arrogantie z’n grove smet op iemands persoonlijkheid, zo zelfs dat G’D het haat. Vandaar dat er is geschreven, “De Eeuwige regeert, Hij is gekleed in hoogmoed.” (Psalm 93:1) m.a.w Dat G’D Zich omhult met het kledingstuk van arrogantie en hoogmoed in het regeren van de wereld om zijn schepselen schrik aan te jagen, maar zich direct er weer van ontdoet. Om aan te geven hoe afschuwelijk dit is. Waarop onze wijzen verklaren: “Telkens wanneer er in de Bijbel G’D’s grootheid wordt aangehaald, wordt onmiddellijk Zijn nederigheid genoemd.” (Meggilla 32a)

Met de boven gegeven uitleg kunnen we de gequoteerde verzen beter begrijpen.

Rabbi Jitschak Luria […Ashkenazie ben Shlomo] ( 5294 – 5331 = 1534 – 1572 ) Jaartijd van overlijden: 5e Av. Begraven op het oude kerkhof van Tzfat.
Gewoonlijk bekend als de Ari, Ook Rabbenoe HaAri HaKadosh [de heilige Ari] of Arizal [de Ari in gezegende herinnering].

SHABBAT SHALOM

 

 

Geef een reactie