PARASHAT TAROEMA

HEFFING, EXODUS 25:1 – 27:19

“Toen sprak de Almachtige tot Mozes: zeg tot de Israelieten dat ze Me een gave brengen. Van een ieder wiens hart hem daartoe beweegt, zult ge voor Mij een gave in ontvangst nemen” (Ex. 25, 1-2). De Almachtige die hen de Tora schonk, die de zee voor hen spleet zodat ze er veilig doorheen konden trekken, die het hemelse brood liet neerdalen en die voorzag in hun behoeften tijdens hun tocht in de woestijn, – Hij vraagt nu aan hen dat ze een gave van goud, zilver en koper zouden afstaan. Heeft Hij werkelijk goud, zilver en koper nodig?

Nee. Hij kan zeker zonder deze bijdragen. Ze waren ook niet voor Hem, maar veeleer een test om uit te maken waar ze werkelijk staan, nadat ze eenstemmig hadden verklaard: ,We zullen doen en luisteren”.

Tot ze met hun bijdragen kwamen, was het moeilijk, zelfs onmogelijk om de diepte van hun engagement te peilen. Het was makkelijk om zich te laten meeslepen door de vurige opwinding die zich van hen meester had gemaakt aan de voet van de berg Sinai. In vrees en verwondering voor de goddellijke wetten hadden ze uitgeroepen:,We zullen doen en luisteren”. Enthousiasme en mondelinge instemming zijn echter veel makkelijker te geven dan klinkende munten uit je eigen zak. Om de ernst van hun bereidheid te testen, verordende de Almachtige: ,Zeg aan de kinderen van Israel dat ze Mij een gave afstaan”. Door de bereidheid om te geven evenals door de omvang van de gave kunnen we uitmaken of je meent wat je zegt als je de woorden ,,we zullen doen en luisteren” in de mond neemt. Als je ook uitvoert wat je zegt.

Naast het onmiddellijke doel van de campagne – het verzamelen van materiaal voor het bouwen van een heiligdom -, diende de inzameling ook een opvoedkundig doel, namelijk het volk omvormen van passieve deelnemers in de relatie met de Almachtige en van mensen die voortdurend Zijn gaven ontvangen, in aktieve partners.

De taak van het brengen van heiligheid in de wereld, welke de voornaamste verplichting is van een jood, werd in de Bijbel steeds als een partnerschap gezien,een gemeenschappelijk projekt van God en mens.

Het heilige of het goddellijke kan zich manifesteren in drie dimensies van de werkelijkheid: in plaats, in tijd, in de persoon (in een oud joods mystiek boek beschreven als 'olam-ruimte, shana-tijd en nefesh-persoon).

 

De Almachtige is de enige bron van het heilige. Daarom wordt Hij genoemd de Heilige-gezegend-zij-Hij. Hij wil menselijke wezens ontmoeten door hen halfweg als partners tegemoet te treden. In tijd: de shabbat, die Hij heiligde (Gen. 2, 3) en die Hij verordende om te heiligen (Ex. 20, 8); in ruimte: het heiligdom waarover hier sprake is; en in de persoon: door de mitsva, de heilige daad, die ons in Zijn aanwezigheid brengt telkens als we ze vervullen.

De inwoning van de Almachtige bij het volk kan onmogelijk plaatsvinden zolang het volk passief blijft en niets doet om de heiligheid in de wereld te brengen. ,En laat hen Mij een heiligdom maken, zodat Ik onder hen woon” (Ex. 25, 8). Ik zal onder hen verblijven op voorwaarde dat zij voor Mij het heiligdom maken. Hetzelfde woord dat hier gebruikt wordt voor de heiliging van de ruimte, wordt elders (Ex. 31, 16) gebruikt voor de heiliging van de tijd. ,En de kinderen van Israel zullen de shabbat onderhouden om de shabbat te maken voor hun generaties”. De mens moet zich op weg begeven naar de Almachtige toe, in tijd en ruimte opdat de Almachtige hem halfweg kan ontmoeten als Zijn partner in de daad van heiliging.

,Maar zou de Almachtige werkelijk op aarde wonen? Zelfs de hemelen en de hemel van de hemelen kunnen U niet bevatten, hoeveel minder het huis dat ik voor U bouwde?” zo roept koning Shlomo uit bij de inwijding van de tempel in Jeroeshalajiem (1 Kon. 8, 27). De Almachtige is uiteraard overal. ,De hele aarde is vol van Zijn glorie” roept Jeshajahoe (6,3) uit. Toch weten zowel Shlomo als Jeshajahoe dat er bijzondere plaatsen zijn waar men de Almachtige ontmoet en waar men in Zijn aanwezigheid kan zijn: het heiligdom, elke synagoge die een,,klein heiligdom” wordt genoemd (zie Ez. 11, 16 en Babylonische Talmoed, Megilla 29a); elke plaats die apart wordt gesteld als geheiligde ruimte voor dit bijzondere doeleinde.

 

Toen de chassidische meester rabbi Naftali van Ropshitz nog een kind was, sprak zijn vader tot hem: Naftali, ik geef je een gulden als je me vertelt waar de Almachtige is”.

,,En ik zal er u twee geven”, antwoordde het kind, ,als u me vertelt waar Hij niet is”.

Een aantal dingen zijn typerend voor deze eerste fondsinzameling-campagne. Vooreerst was het een volkse campagne. Ongetwijfeld waren er een aantal rijken die met genoegen uit zichzelf al de fondsen hadden kunnen bijeenbrengen, nodig voor het bouwen van het heiligdom.

Er was wellicht zelfs een persoon die de hele som zou hebben kunnen schenken indien men het heiligdom naar hem had genoemd: ,,De heer en mevrouw x-tent van ontmoeting”. De Almachtige maakte Mozes echter duidelijk dat de bijdrage voor de bouw van het heiligdom niet moet komen van een selekte groep van ,grote gevers”, maar van ,elke persoon wiens hart hem daartoe beweegt”. Een ieder, het hele volk, moet deelnemen aan de campagne.

Verder is het wellicht niet toevallig dat de campagne voor het verwerven van fondsen (teroema) werd aangekondigd na de gedetailleerde reeks wetten (mishpatiem) welke handelen over de nauwgezette zorgzaamheid die iemand aan de dag moet leggen wanneer het gaat om andermans leven en eigendom (Ex. 21, 12-23, 19). Dit leert ons dat de Almachtige geen gaven wil die afkomstig zijn van uitbuiting of bedriegerij. Alleen geld dat op een rechtvaardige, eerlijke wijze werd verdiend, komt in aanmerking om als gave te dienen voor de oprichting van een heiligdom. Hierop wordt gezinspeeld in Jeshajahoe (56, l): ,Zo spreekt de Almachtige: onderhoud gerechtigheid en doe aan liefdadigheid.”

De rabbijnen (Jeruzalemse Talmoed, Teroemot) zagen het als een wet dat geen gaven konden worden aanvaard van geld dat niet eerlijk is verdiend. In onderscheid met de Romeinse keizer die fier verklaarde dat geld ,non olet” (geen kwalijke geur heeft), is de joodse etiek zeer gevoelig voor de kwalijke geur die het geld kan bezitten, en dat zelfs als het geofferd wordt voor het heiligdom, niet kan worden gereinigd.

Geef een reactie