PARASHAT SJEMOT

NAMEN (EXODUS 1:1 – 6:1)

Het tweede boek van de Thora vangt aan met het verhaal over de slavernij en de beproeving van de kinderen van Israël in het land Egypte. Het gebeuren zelf van de uittocht uit de slavernij komt pas veel later ter sprake. Toch kreeg het hele boek de naam ,Exodus” in een vroege Griekse vertaling en vandaar vond deze naam voor het tweede boek van de Thora ingang in alle Europese talen. In de joodse traditie staat het boek bekend als Shemot, ,Namen”. Deze benaming gaat terug op de beginwoorden van het boek: ,Dit zijn de namen. . . ” In vroegere tijden evenwel verwezen joden naar dit boek als het boek van de uittocht uit Egypte, sefer yetsiat mitsraim (in het Aramees mafqana) of als sefer ha-geoela, het boek van de verlossing.

Beide titels van het tweede boek van de Thora zijn meer dan alleen maar technische aanduidingen. Het feit dat het boek van de verlossing aanvangt met een lijst. van namen, de namen van de leiders van de stammen van Israël, toont aan dat namen een belangrijke rol speelden in het proces van de bevrijding uit de slavernij van Egypte. What is in a name! Een hele wereld van cultuur en traditie.

Het feit dat ze hun oorspronkelijke Hebreeuwse namen niet veranderden in een poging om zich aan de Egyptische maatschappij te assimileren was volgens de vroege rabbijnse bronnen (Mekhilta, Vayiqra rabba etc.) een van de belangrijkste redenen die de kinderen van Israël samenhield als een volk en waardoor ze het verdienden om verlost te worden. Ze kwamen naar Egypte als Re'oeven, Shim'on, Levi en verbleven er als zodanig.

Volgens de bijbelse traditie vertegenwoordigt een naam de persoonlijkheid van de drager ervan evenals de verlangens en richtingen van hen die de naam gaven. Het is daarom onbegrijpelijk waarom goede en vrome joden vandaag, in dit tijdvak, in onderscheid met hun voorouders in Egyptische slavernij, mooie en betekenisvolle Hebreeuwse namen voor zichzelf en hun kinderen verwerpen.

Toen Jakob zijn in Egypte geboren kleinkinderen zegende, zei hij: ,,Moge mijn naam en de naam van mijn vaderen Avraham en Izaak over hen genoemd worden” (Gen. 48, 16). Hij wou dat ze Jakob en Israël heetten en niet Julius of Isidoor. Avraham of Izaak, niet Andre' of Ignace of andere dergelijke namen die geladen zijn met niet-joodse en soms anti-joodse associaties.

De uittocht is het belangrijkste thema in het tweede boek van de Thora. Het is het eindpunt van een proces van bevrijding dat zich van bij het begin ontvouwt.

Twee vrouwen wier namen slechts eenmaal in de bijbel voorkomen, hebben de verdienste om de weg van de bevrijding te openen.

,,Ook richtte de koning van Egypte zich tot de Hebreeuwse vroedvrouwen. De ene heette Shifra en de andere Poe'a. En hij sprak: wanneer jullie de Hebreeuwse vrouwen helpen met de bevalling, let dan goed op het geslacht van het kind. Is het een jongen, dan moet je hem doden. Is het een meisje, dan moet je het laten leven. Maar de vroedvrouwen vreesden de Almachtige en gaven geen gehoor aan het bevel van de koning. Ze lieten de jongens in leven” (Ex. 1, 15-17).

Door deze heldhaftige daad van ongehoorzaamheid van twee onbekende werkvrouwen die de immorele bevelen van de machtige koning met de voeten traden, komt een proces van bevrijding op gang met universele betekenis voor alle tijden. De exodus had nooit kunnen plaatshebben zonder deze eerste daad van verzet tegen het kwaad.

Het is het noteren waard dat in de woorden van Farao de kinderen van Israël voor het eerst “am, ,een volk”, genoemd worden. De eerste die zich bewust wordt van hun identiteit als een natie, is niet iemand uit het volk. Het is de aartsvijand van het volk, de nieuwe koning van Egypte, die zijn eigen volk waarschuwt: ,,Zie, het volk van de kinderen van Israël is te talrijk en te machtig” (ibid., 9). Herhaaldelijk heeft de geschiedenis aangetoond dat nationale groeperingen zichzelf niet bewust worden van hun eigen sterkte tot ze door hun vijanden worden aangewezen als een te vrezen volk.

Door de korte ontmoeting met de twee joodse vroedvrouwen moet de koning van Egypte zich bewust geworden zijn van het geweldige potentiaal zowel in omvang als in kracht van het in slavernij verkerende ,volk van de kinderen van Israël”. Hoe dorsten ze zich te verzetten tegen de bevelen? Dit was zeker niet een veel voorkomend verschijnsel in het oude Egypte. Het kan goed de eerste keer geweest zijn dat de machtige koning werd geconfronteerd met een dergelijke daad van ongehoorzaamheid. Op dat ogenblik werd het hem klaar dat de kracht om de koning te weerstaan een bredere verzetsbeweging vertegenwoordigde die de slavenmassa zou kunnen omvormen in een verenigd, sterk volk.

Een andere verklaring van het verhaal van de twee vroedvrouwen werpt licht op een opvoedkundig probleem waarover velen in de laatste jaren hebben gedacht. Volgens deze verklaring betekenen de woorden ,Hebreeuwse vroedvrouwen” niet dat de vroedvrouwen Hebreeuws waren: het zouden Egyptische vrouwen geweest zijn die de kinderen van Israël als vroedvrouwen bijstonden. Dit is het standpunt van heel wat uitleggers, het standpunt van Filo in de eerste eeuw, van Midrash Tadshe, de middeleeuwse Abravanel en moderne exegeten als Shadal en Malbim. Dit maakt hun daad nog meer heldhaftig. Dat Hebreeuwse vrouwen de moed opbrachten om de bevelen van de koning niet op te volgen in hun weigering om Hebreeuwse kinderen te doden, is begrijpelijk. De daad krijgt evenwel nog grotere betekenis indien Shifra en Poe'a moedige Egyptische vrouwen waren die weerstand boden aan de grote Farao. Hun slogan was niet: ,my country, right or wrong”.

Wat maakte deze vroege ,rechtvaardigen onder de volkeren” -zoals zij die zich tijdens de Sjo'a voor joden hebben ingezet -verschillend van de rest van bun eigen volk? Wat gaf hen de moed om het kwade te weerstaan, zelfs met inzet van hun eigen leven? Het antwoord dat de bijbel geeft (vers 17) is dat de ,vroedvrouwen de Almachtige vreesden en niet deden zoals de koning van Egypte hen beval”.

Wat is deze vreze Gods die iemand de spirituele sterkte geeft om alleen te staan aan de kant van de gerechtigheid en de moraliteit, en het gevaar te trotseren? Hoe kan een dergelijke kwalitelt bij de jonge generatie worden ingescherpt?

Ondanks alle recente onderzoek betreffende het verschijnsel van de niet te talrijke ,rechtvaardigen onder de volkeren” tijdens de Sjo'a (in dit verband moet bijzondere melding gemaakt worden van het werk van Doug Heuneke), is het antwoord op bovenstaande vragen nog steeds niet duidelijk. Het geval van de Hebreeuwse vroedvrouwen bewijst dat individuen het kwade kunnen weerstaan en op die wijze een heel proces van bevrijding op gang kunnen brengen.

Geef een reactie