PARASHAT SJEMINI

Achtste (Leviticus 9:1 – 11:47)

Het slot van de Thoralezing van deze week spreekt over de regels en inachtneming van kasjroet (voedselwetten), welke dieren gegeten mogen worden en welke niet. Deze wetten vallen onder de categorie van choekiem, wetten die niet te verklaren zijn binnen de sfeer van het menselijke bevattingsvermogen. In eenvoudige bewoordingen, er is geen logische reden waarom we wel rundvlees mogen eten en geen varkensvlees. Factoren zoals gezondheid, preventie van trichinose of andere verontschuldigingen, hebben er niets mee te maken.

We eten bepaald vlees omdat G’D zegt dat we dat mogen en we eten bepaald vlees niet omdat Hij het ons heeft verboden.

Hier is geen enkel verschil van mening over, nochtans bestaan er verschillende opinies onder onze Rabbijnen: Heeft G’D een reden voor hetgeen Hij gebiedt? M.a.w. zijn er een spirituele redenen om aan bepaalde soorten niet deel te hebben? Sommige Rabbijnen stellen dat ze er zijn. Zij verklaren dat we als fysieke wezens geen spirituele echtheid kunnen beseffen en waarnemen, en daarom niet begrijpen waarom een bepaalde soort is toegestaan en een andere niet. Maar aangezien G’D de Wereld en alles wat zij bevat heeft geschapen, weet Hij ook de afzonderlijke spirituele eigenschappen die elk geschapen wezen vergezellen. Hij weet dat bepaalde soorten ongewenste kwaliteiten bevatten en als we daar deel aan hebben, kunnen deze ongewenste kwaliteiten assimileren in ons lichaam en deel gaan uitmaken van ons karakter. Uit genegenheid heeft Hij ons gezegd welk voedsel we mogen eten en welk voedsel we niet mogen eten.

Andere Rabbijnen menen, dat we G’D’s wil moeten vervullen omdat het Zijn wil is. We hebben geen reden nodig voor wat Hij wil. We moeten doen wat Hij wil, omdat Hij het wil en wij ons gelukkig moeten voelen, dat Hij ons de gelegenheid heeft gegeven om ons met Hem te verbinden, door Zijn wil te vervullen.

Chassidoet verklaart dat er een redelijkheid van argumentatie is aan beide benaderingen. Al de mitswot zouden moeten worden vervuld omdat G,D dat wil. Als Hij ons opdraagt om hout te hakken of water te scheppen, moeten we het met plezier doen.

Want door het feit dat we Zijn opdracht vervullen realiseren we ons de band tussen Hem en ons; er is niets verhevener dan dat.

Van de ander kant gezien moet men zeer goed bedenken, dat G’D niet onderhevig is aan grilligheid. Hij, Zijn wil en Zijn wijsheid, zijn één. Dus alles wat Hij wil heeft ook een reden.

Niettemin is er een verschil tussen het menselijk verlangen en dat van G’D. Wanneer het gaat om menselijke verlangens, hebben we een reden wáárom we het verlangen. Want de dingen die we willen en de redenen waarom we het willen, existeerden reeds voor dat wij existeerden. Hun existentie motiveert onze verlangens.

Dit geldt niet met betrekking tot G’D. Integendeel, het is Zijn verlangen die hun tot existentie heeft gebracht. Er was geen wereld voor dat Hij hem had geschapen en toen Hij hem schiep, kwam het tot existentie zoals Hij het verlangde, volgens de ingevingen van Zijn wil en redenen. Kosher voedsel kwam tot existentie omdat Hij wilde dat de mens er in zou participeren. G’D is het ultieme goed, en als zodanig verleent Hij ons het vervolmaken van het goed. Om die reden maakt Hij Zijn wil bekend door het geven van Thora en zijn mitswot. Hij dwingt ons niet om deze mitswot te vervullen. Integendeel, Hij heeft ons een vrije wil gegeven en we kunnen doen wat we willen. Niettemin, in Zijn goedheid, wijst Hij ons een weg volgens Zijn wil en Zijn Wijsheid en zouden wij kiezen om dit op ons te nemen, brengt dat ons het ultieme Goed, zowel in de sfeer van het spirituele als in de sfeer van het materiële.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie