PARASHAT SHOFTIEM

Rechters (Deuteronomium 16:18 – 21:9)

Hoe meer Bijbel-vertalingen men leest, hoe meer men ervan bewust wordt dat men de bijbelse tekst slechts dan ten volle kan proeven wanneer men naar het oorspronkelijke Hebreeuws teruggrijpt. Wanneer we de oorspronkelijke tekst vergelijken met zijn vertalingen, zelfs met de beste vertalingen, dan worden we herinnerd aan wat David Ben-Gurion eens moet hebben gezegd, dat de Bijbel in vertaling lezen lijkt op het zoenen van je geliefde door een zakdoek.

De meest recente Bijbel-vertaling is die welke uitgegeven is door de Jewish Publication Society. Terwijl de King James-vertaling Deut. 16, 18 vertaalt met: ,Rechters en politie-ambtenaren zult ge u maken in al de poorten die de Almachtige uw God u geeft voor al uw stammen”, leest de nieuwe Jewish Publication Society-vertaling: ,,Ge zult magistraten en ambtenaren aanstellen voor uw stammen in al de nederzettingen die de Almachtige uw God u geeft”.

De laatste vertaling is niet onjuist, maar verliest iets van de ideeën die in de Hebreeuwse tekst verscholen liggen. Wanneer bijvoorbeeld gezegd wordt dat rechters moeten worden aangesteld, gebruikt de Schrift het woord lekha, wat de King James-vertaling weergeeft als: ,,Ge zult u maken”, de New English Bible als: ,Ge zult voor uzelf aanstellen”.

Deze vertaling werd niet overgenomen door JPS. Daardoor ging een prachtige commentaar verloren die bij het woord lecha aansluit, dat men namelijk eerst zichzelf moet oordelen vooraleer men anderen oordeelt. ,,Maakt u” of ,,stelt voor uzelf aan”. Eerst ,,maakt u” en ,, stelt voor uzelf aan” en dan hebt ge het morele recht om ook anderen te oordelen.

De Midrash vertelt ons het volgende verhaal. Rabbi Chanina ben Elazar had een boom staan in zijn veld. De takken van de boom hingen over het veld van iemand anders. Op een zekere dag kreeg Rabbi Chanina bezoek van zijn buur die hem verzocht de takken van de boom die over zijn veld hingen te verwijderen. Rabbi Chanina verzocht de man om de volgende dag terug te komen. Toen deze zich hierover klaagde met de woorden: ,,U velt altijd oordeel op dezelfde dag, waarom doet u me nog een dag wachten?”, antwoordde Rabbi Chanina niet.

Zodra echter de man het huis van Rabbi Chanina had verlaten, zond deze werkers om de takken van zijn boom te snoeien die over het veld van zijn buur hingen. De volgende dag toen de buur die zich beklaagd had weerkeerde, gebood rabbi Chanina hem de takken van zijn eigen boom te snoeien. De man protesteerde: ,Maar ge hebt zelf een boom waarvan de takken op het gebied van iemand anders vallen”. Rabbi Chanina antwoordde rustig: ,Ge hebt gelijk. Ga a.u.b. naar mijn veld, kijk naar mijn boom, en doe met jouw boom precies zoals ik met mijn boom heb gedaan”.

Als men zichzelf niet eerst oordeelt, hoe kan men dan anderen oordelen?

Laten we nog een ander voorbeeld geven. Na het gebod om rechters aan te stellen die eerlijk recht zullen spreken, waarschuwt. de Thora ons: ,Gerechtigheid, gerechtigheid zult ge nastreven” (Deut. 16, 20). De vraag is duidelijk: waarom wordt het woord gerechtigheid (tsédék) herhaald?

The Revised Autorized Translation geeft de volgende vertaling: ,,Dat wat helemaal rechtvaardig is, moet ge volgen”. In de New English Bible lezen we: ,,Rechtvaardigheid en rechtvaardigheid alleen”. Als we echter bij het oorspronkelijke Hebreeuws blijven, dan kan de herhaling van het woord tsédék ons leren dat het niet enkel belangrijk is om gerechtigheid na te volgen als een van de hoogste idealen van het Jodendom, maar dat dit navolgen ook op een rechtvaardige wijze moet geschieden. ,,Gerechtigheid op rechtvaardige wijze zult ge nastreven”. Het doel wettigt geenszins de middelen.

Verder wordt gerechtigheid herhaald om ons een andere les te leren: wanneer we gerechtigheid nastreven, kunnen we niet eenzijdig blijven.

Er zijn er die denken dat het recht altijd aan hun zijde is, terwijl anderen in hun ijver om aan hun opponenten recht te doen, ertoe neigen om te vergeten dat er ook aan hun eigen zijde recht is.

Het is veel moeilijker een weg te vinden tussen twee aanspraken die beide recht aan hun zijde hebben dan a priori te beslissen welke van beide zijden absoluut rechtvaardig is.

Daarom gebruikt de Thora tweemaal het woord gerechtigheid. ,,Gerechtigheid, gerechtigheid” – beide zijden van gerechtigheid – ,,zult ge nastreven, opdat ge zult leven en het land beërven”.

De Thora verordent de aanstelling van ,,rechters en politie-ambtenaren” aangezien de ene zonder de andere niet volstaat. Hoe mooi een wet ook moge zijn, als de wet geen tanden heeft, als de wet en de daarop gebaseerde gerechtelijke vonnissen niet door politieambtenaren kunnen worden afgedwongen, dan is die wet waardeloos. Evenmin echter kan de wet in eigen hand worden genomen zonder de geëigende procedures van het gerechtelijk apparaat.

Shabbat Shalom

Geef een reactie