PARASHAT SHOFTIEM

Rechters (Deuteronomium. 16:18 – 21:9)


Rabbi Isaiah Horowitz

Zes Pilaren Van Zilver

Shnei Loechot HaBriet

De opdrachten, vermeld in deze parasha, zijn gebaseerd op de “zes pilaren van zilver”, m.a.w de zes pilaren waarop het universum is gebouwd.
Deze zes pilaren zijn: Thora, [G’ddelijke] Dienst, Handelingen van Barmhartigheid, Oordeel, Waarheid, en Vrede.

De pilaar van Oordeel staat vermeld in het eerste gedeelte van deze parasha, waar de benoeming van rechters en een hoger gerechtshof wordt uitgevaardigd. De regels ten aanzien van een individuele Thorageleerde welke weigert zich neer te leggen bij de meerderheid van stemmen van zijn collega’s en de wet ten aanzien van benoemen van een koning wiens het taak is, het leiden van het volk op de weg van Thora, al dit behoort tot de pilaar van oordeel. Aan een koning is het toegestaan om op sommige manieren van Thoranormen, betreffende de verplaatsing van grenzen, af te wijken, terwijl dit aan andere mensen niet is toegestaan. De regels, niet te oordelen op basis van een enkele getuige, hoe gehandeld moet worden ten aanzien van valse getuigenissen, etc. maken allen deel uit van de pilaar van oordeel.

De pilaar van waarheid wordt weergegeven door de wetgeving hoe te handelen ten aanzien van magiërs welke het volk proberen te misleiden, een valse profeet, etc. allen die hun oorsprong vinden in de linker zijde van de sefirot, het domein waar vanuit leugens voortkomen. De uitvaardiging om voorzichtig te zijn tegenover een valse profeet, niet bang te zijn om de eisen die hij je oplegt te overtreden. En ook de belofte dat G’D de ware profeten toewijst, maken allen deel uit van de pilaar van Waarheid.
De pilaar van Vrede wordt weergegeven als deel van de wetgeving die oorlogsvoering behandelt (op voorwaarde dat de oorlog niet tegen de zeven naties is welke Kana’aan bewoonden in de tijd dat het Joodse Volk er binnen trok), om te tonen hoe de Thora met vrede omgaat en benadrukt.  Desondanks geeft de Thora de opdracht voor de absolute vernietiging van alle inwoners van het Land Kana’aan met als reden dat ware vrede alleen kan existeren als het kwade wordt verwijderd of een boeteling wordt. Zelfs wordt ons het behoud van ecologische “vrede opgelegd”, wanneer de betreffende vegetatie voor direct universeel nut is voor de mens, m.a.w vruchtdragende bomen. Zulke vegetatie mag niet vernietigd worden, zelfs als zij de oorlog kan verkorten. De zalving van de priester die zich richt tot de soldaten op hun weg naar het slagveld is bestemd om de soldaten te verzekeren dat G’D van hun houdt en hun welzijn in gedachten heeft. Wanneer wij van G’D houden, zal er vrede zijn tussen Hem en ons, en oorlog onder Zijn vijanden. Om die reden legt de Thora ons op om geen angst te hebben voor onze vijanden.

De pilaar van Thora behandelt de wetgeving betreffende de ontkenning dat de stam van Levie een aandeel heeft in het land dat wordt verdeeld onder de andere stammen. Hun [stam Levie] taak is om Thora te leren en te onderwijzen, zoals we weten van het vers “Zij leren Uw rechtsnormen aan Ja’akov  en Uw Thoravoorschriften aan Jisraël.” (Deuteronomium. 33:10)
Als de Thora hen landbouwgrond en fruitteelt had toebedeeld, zouden zij daar zeer door in beslag zijn genomen met het bewerken van het land en niet in staat  hun spirituele taken te vervullen. Vandaar dat de Thora de Israëlieten instrueerde om een bepaalde giften te geven aan de Levieten, zodat zij bevrijd waren van de last van levensonderhoud om zodoende de zware last op hun schouders te nemen van Thorastudie. Toen eenmaal de priesters in aantal waren toegenomen, werd hun tempeldienst beperkt naar een paar dagen per jaar voor elke dienstgroep. Op feestdagen echter, wanneer zij sowieso in Jeruzalem waren, konden zij een aandeel van het vlees van de vele offers op het altaar verkrijgen. Zij creëerden eveneens een geregeld inkomen van de porties vlees welke terzijde werden geplaatst van dieren die werden geslacht voor private consumptie en ook van de eerstgeborene mannelijke dieren en de “teroema” (ongeveer 2% van de opbrengst van graan, olie druivenoogst van de landbouwer).
De Leviet droeg ten behoeve van de priesters 10% bij van de tienden die hij ontving.

De pilaar die “Dienst”wordt genoemd in onze parasha, wordt vertegenwoordigd door het verbod om een boom te planten in de omsloten ruimten en terreinen van de Tempel en het verbod om stenen monumenten op te richten. Eveneens valt hieronder de wet welke het offeren van dieren met gebreken verbiedt.

De pilaar van Handelingen van Barmhartigheid betreft het laten zien aan mensen, de ware goedheid na hun dood. In onze parasha wordt deze pilaar vertegenwoordigd door de wet betreffende vluchtsteden, welke voorzien in gedeeltelijk restitutie voor personen die onopzettelijk moorden hebben gepleegd. Zo ook het vereiste om te doden het “gebroken nek kalf” [als een niet geïdentificeerd lichaam is gevonden, neemt de dichts bijzijnde stad verantwoordelijkheid, want zij hebben mogelijk de mitzwa van gastvrijheid verwaarloosd, wat indirect dood veroorzaakt] ook het onachtzaam zijn van dit gebod valt hieronder.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie