PARASHAT SHEMÓT

Namen (Exodus 1:1 – 6:1)

In het derde hoofdstuk van Pirké de Rabbi Eliëzer lezen we dat voorafgaand aan de schepping, G’D en Zijn naam, het enige existentiële was.
Deze verklaring is zeer diepgaand. Namelijk, en dit is zeer essentieel om te weten, was het universum geschapen volgens plan, en als de mens niet de zonde had ingeleid, zou er geen “k’liepaa”, “schil” zijn geweest, m.a.w. zoiets als een ijzeren gordijn tussen mens en G’D.
Heiligheid zou heersend zijn in deze wereld, en G’D’s naam zou op de juiste wijze worden gelezen en op de exacte manier worden uitgesproken ( YOED-KAY VAV-KAY ). De atmosfeer van de wereld zou compleet puur zijn, onbesmet en onschuldig.
Aangezien deze k’liepaa is gegroeid en zich ongelukkigerwijze meer en meer heeft uitgebreid, kan deze naam niet worden uitgesproken, zelfs al is Israël in haar eigen land, de enige uitzondering binnen de grenzen van de Heilige Tempel.
Deze status zal blijven tot de komst van Mashieach, dan zal het universum opnieuw worden gezuiverd en de wereld zal corresponderen met het originele verlangen van zijn Schepper.
Het doel van Israël’s verbanning en slavernij in Egypte was om de natie te zuiveren tot een hechte eenheid zodat zij in staat zou zijn de Thora te ontvangen en zich zou kunnen ontdoen van de verontreiniging die was veroorzaakt door het serpent.
Op het tijdstip van Matan Thora, het geven van de Thora, zou het gehele universum zichzelf hernieuwen en worden zoals voorheen in de tijd dat G’D Adam had geschapen. Het zou in deze staat zijn gebleven als het Joodse Volk zich niet had bezondigd aan de episode met het gouden kalf.
Bewijs van deze theorie kan gevonden worden in Psalm 82, 6-7:
En Ik, Ik dacht: G’ddelijk zijt gij en onsterfelijke zonen des Hoogsten, gij allen. Voorwaar, als een mens zult gij sterven en vallen als een van de vorsten.
De Exodus was G’D’s plan om de mensheid te hernieuwen, dit was de inhoudelijke openbaring aan Mozes toen Hij hem deed beseffen dat Hij Zijn naam niet waarlijk had geopenbaard m.a.w. de vier letternaam. (Exodus 6,3) Dit alles ligt opgesloten in het antwoord aan Mozes toen hij vroeg aan G’D
Als ik nu bij de Kinderen van Israël kom en ik zeg tegen hen: “De G’D van jullie voorouders heeft me naar jullie gezonden” en ze zeggen mij: Wat is Zijn naam?”wat moet ik hen dan zeggen?” (Exodus. 3,13)
Op dat moment had G’D aan Mozes het concept van Chidoesh HaOlam geopenbaard.
En inderdaad zien we dat Mozes alle waarschuwingen aan Farao uitspreekt in die naam van G’D. ( Exodus. 7,17- 8,6- 8,18- 9,13,14 enz.)
Het essentiële element in deze beschrijving van G’D “Ik ben die IK altijd zal Zijn”, geeft weer, de Eeuwige natuur van G’D, de Bron van alles wat existeert en waar zonder die Ene, geen existentie mogelijk is. Hij als Enige coördineert alles in zijn universum.
G’D zei tegen Mozes dat in deze onvolmaakte wereld Zijn naam nog niet kan worden uitgesproken, dat zou alleen mogelijk zijn als Israël de Thora zou accepteren, en zou zijn gezuiverd en gehecht aan G’D. Dit was G’D’s plan voor Chidoesh HaOlam , de hernieuwing van de wereld.
De verklaring van onze geleerden dat shamor wezachor bedieboer èchad, “Denk” en “Houd” de Shabbat”, gelijktijdig was gezegd ( het verschil in uitspraak in de Tien Geboden in Exodus 20,8 en de Tien Geboden Deuteronomium 5,12) is, omdat het verbonden is met de uittocht van Egypte ( in verschil met de Shabbat van de Schepping ). In Deuteronomium is de reden voor de wetsregel jetsi’at mitsrajiem de uittocht van Egypte, terwijl in Exodus 20,8 Parashat Jitro het ma’asè bereshiet, de Scheppingsdaad is.

Volgens de Arizal ( Rabbi Jitschak Luria) was het hele verblijf en alles wat daar gebeurde in Egypte, onder de noemer van Chidoesh HaOlam, de hernieuwing van de wereld.
Dit was ook het onderwerp van discussie tussen Mozes en Farao, m.a.w. Toen Farao uitdagend antwoordde “Wie is de Eeuwige, naar wiens stem ik zou moeten luisteren” (Exodus 5,2) nadat Mozes had gesteld “Zo zegt de Eeuwige, De G’D van Israël”: “Laat Mijn volk gaan” (Exodus 5,1). Hij redetwistte over het bestaan van G’D en het feit dat het volk van Israël een hechte relatie met Hem zou hebben. Daarom beschreef Mozes Hem als “de G’D van Israël”.
Vanuit een filosofisch oogpunt gezien, daagde Farao Mozes uit, door te zeggen dat zelfs als een Chidoesh HaOlam zou plaats vinden, wat hij ontkende, en nog nooit zou hebben gehoord, er zeker geen sprake kon zijn van een reeds bestaande speciale verhouding tussen deze G’D en Israël, gezien de bewering dat de wereld opnieuw zou beginnen!!
Aangezien G’D onafhankelijk is, is elke relatie die Hij aangaat, om het even met wie, voor het voordeel van die partner.
Als dit zo is, hoe kan dan Israël speciaal zijn? Hij moet zijn gunsten gelijk verdelen!!
En ongetwijfeld zou Hij ook mij hebben opgedragen om Hem te dienen!!
Zijn falen om dit te doen maakt Hem en Mozes’ bewering ongeloofwaardig.
Om deze reden stond Farao Israël niet toe, te gaan om G’D te dienen in de woestijn.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie