PARASHAT SHEMINI

ACHTSTE, LEVITICUS 9:1 – 11:47

(ZIE OOK PARASHAT SHEMINI  2001 IN HET ARCHIEF)

In zijn boek over de joodse voedselwetten citeert rabbi Samuel H. Dresner Cleachus, leerling van Aristoteles, die meedeelt dat zijn meester een gesprek had met een jood en terugkwam, diep onder de indruk van twee joodse elementen: een bewonderenswaardige filosofie en strikte voedselwetten.

Vandaag, tweeduizend vijfhonderd jaar na Aristoteles, kent iedereen het joodse voedsel als kosher voedsel. Het is geen enkel probleem om een koshere maaltijd te bestellen op een vlucht van Peking naar Tokio. Het woord ,kosher” heeft ingang gevonden in elk woordenboek. En toch weten we erg weinig af van kashroet, waarom sommig voedsel mag gegeten worden en ander niet. Wat maakt een dier en een vogel ,rein” of kosher, of ,niet rein”, taref.?

De voedselwetten zijn wellicht het enige onderwerp in de Thora dat zoveel uitleg en speculatieve rechtvaardiging heeft opgeroepen. Vanaf Philo in het Alexandrië van de eerste eeuw, tot de hedendaagse antropologen en religieuze apologeten worden steeds nieuwe theorieën geformuleerd welke proberen de betekenis te achterhalen van de lange catalogi van toegelaten en verboden voedsel. Deze lange reeksen nemen veel plaats in de Thora en stonden gedurende eeuwen centraal in het joodse leven.

Vooreerst zijn er verboden insecten, vissen, vogels en dieren. De voedselwetten eisen ook dat het dier op een welbepaalde wijze wordt geslacht en dat het bloed op een welbepaalde wijze wegvloeit. Een andere vereiste is dat vlees- en melkspijzen niet samen mogen gegeten of gekookt worden.

De Thora zelf geeft geen reden op voor de beperkingen, met uitzondering van het verbod van het nuttigen van bloed: ,Want het leven van een levend wezen zit in zijn bloed” (Lev. 17, 11-12). Voor alle andere spijswetten wordt een algemeen doel aangegeven: ,Want Ik ben de Almachtige die u uit het land van Egypte gehaald heeft om uw God te zijn. Ge zult heilig zijn want Ik ben heilig” (Lev. 11, 44-47).

Uit bovenstaande teksten en andere passages uit Thora waarin diverse aspecten van het kashroet ter sprake komen, is duidelijk dat het kashroet heiligheid beoogt. Dit veegt het argument van heel wat reform joden van tafel, dat als volgt onder woorden kan worden gebracht: ,Kashroet kan dan wel zijn plaats gehad hebben in de oudheid, maar met de moderne methode van slachten, de regelmatige overheidsinspectie en de sanitaire voedselbereiding is het kashroet een anachronisme dat zou moeten worden afgeschaft samen met het paard en de wagen”.

Maimonides' idee dat het motief achter het kashroet bestaat in het nastreven van een goede gezondheid, werd al honderden jaren geleden afgewezen. Onder meer rabbi Isaak Arama (1420-1494) in zijn Aqedat Yitschaq schrijft: ,De voedselwetten zijn niet, zoals sommigen gemeend hebben, gemotiveerd vanuit therapeutische overwegingen-G'D verhoede het! Als dat zo was, dan zou de Thora verlaagd worden tot de status van een tweedehands medisch traktaat en slechter”.

Het idee dat ,voedsel de natuur vormt” of, zoals de Duitsers zeggen, ..Der Mensch ist was er isst “. gaat terug op Philo, die tweeduizend jaar geleden schreef dat het eten van voorgeschreven kosher voedsel onze persoonlijkheden beïnvloedt. De voedselwetten, zo legt hij uit, zijn bedoeld om ons te leren onze lichamelijke verlangens in te tomen. Mozes eiste geen Spartaanse zelfverloochening. Hij verbood het eten van varken, het heerlijkste van alle vleesgerechten om het buitensporige zwelgen te ontmoedigen. Verder verbood hij het eten van carnivoor dieren en vogels om ons vriendelijkheld en zachtmoedigheid te leren. Philo ziet in de toelating om dieren te eten die hun voedsel herkauwen en gespleten hoeven hebben, een symbolische betekenis. De mens – aldus Philo – groeit alleen dan in wijsheid als hij herhaalt en herkauwt wat hij gestudeerd heeft en als hij leert diverse concepten te scheiden en te onderscheiden.

Een van de pragmatische uitleggingen van de voedselwetten houdt het erop dat deze wetten werden vastgesteld om joden van hun niet-joodse omgeving te onderscheiden. Of dit bedoeld was of niet, feitelijk fungeerden de wetten van het kashroet als een krachtige sociale factor welke joden toeliet om tegen elke assimilatie in hun eigenheid te bewaren.

Tot op de dag van vandaag biedt het kashroet een effectief middel voor joden thuis of op reis om andere joden te ontmoeten. Koshere restaurants overal ter wereld zijn een plaats waar joden elkaar kunnen ontmoeten en enige familiale geborgenheid en warmte vinden in een grote, vreemde wereld. Een andere school van interpretatie van kashroet is de symbolische school, die vertegenwoordigers kent van Philo tot nu. Bijzondere representanten van deze school zijn, naast orthodoxe apologetici zoals S. R. Hirsch en Dayan Grunfeld, de Britse antropologe Mary Douglas en de Franse structuralist Jean Soler. Volgens de twee laatstgenoemden zijn de voedselverboden een soort symbolische taal. Deze taal zou het aanvoelen van een werkelijkheid vertolken waarin het concept van Gods heiligheld wordt weerspiegeld welke Israël vereist wordt te delen.

AI de verschillende inzichten in de betekenis van de voedselwetten hebben gemeen dat de Thora wetten laat horen om ons eerbied voor het leven in te prenten. Voor sommigen is dit de wezenlijke morele les van het kashroet. Dennis Prager en Joseph Telushkin in hun populair boek Nine Questt'ons People Ask About judaism gaan zelfs een stap verder als ze schrijven dat ,kosher blijven het compromis is van het jodendom met zijn ideaal van vegetarisme waarin voedsel wordt verkregen zonder te doden”.In een ideale toestand zou volgens de Thora de mens zich beperken tot het eten van fruit en groenten en zou hij niet doden voor voedsel.

In de tuin van Eden werd de mens oorspronkelijk bevolen om vegetarisch te zijn (Gen. 1, 28-29). Ook de toekomstige eindtijdelijke utopie wordt beschreven als een periode waarin alle schepselen vegetarisch zullen zijn ( Jes. 11, 7 e.v.). De Thora verwijst negatief naar het eten van vlees als naar een oncontroleerbaar ,verlangen”. Zich realiserend dat het onmogelijk is om mensen van het verlangen naar vlees af te houden, verordent de Thora geen absoluut vegetarisme – het ideaal maar in de plaats daarvan het kashroet.

Dienovereenkomstig leren de wetten van het kashroet ons dat de eerste voorkeur van de jood een vegetarisch maal moet zijn. Als hij echter zijn verlangen naar vlees niet kan bedwingen, dan heeft hij kosher vlees te eten wat hem eraan moet herinneren dat een dier een schepsel van de Almachtige is en dat de dood van een dergelijk schepsel niet te licht kan genomen worden, dat jacht voor sport verboden is, dat we elk levend wezen niet ongevoelig kunnen behandelen en dat we verantwoordelijk zijn voor wat met andere wezens (menselijke of dierlijke) gebeurt zelfs als we niet persoonlijk met hen in contact komen.

Als een voorbeeld van de laatste bekommernis gaat het verhaal van een rabbijns gerechtshof in Boston dat enige jaren geleden de druiven, geplukt door onderdrukte Chicano werkers, niet-kosher verklaarde.

Op parallelle wijze zou men wellicht het dragen van huiden van baby-zeehonden, die werden doodgeknuppeld, niet-kosher kunnen verklaren. Kosher betekent niet ,zuiver”, noch ,heilig” of ,gezegend” door een rabbijn. Kosher betekent ,gepast”. Het is de bedoeling van de kashroetwetten om ons te helpen in het kiezen van datgene wat gepast is voor ons als gewoontes in de fundamentele menselijke activiteit van het eten en in onze omgang met het levende in het algemeen
.

Geef een reactie