PARASHAT SHEMINI

Achtste (Leviticus 9:1 – 11:47)

Op de dag dat het terrestrische Tabernakel werd opgericht, werd een parallel Heiligdom gevestigd in de CelesAtische Regionen. Dit is de reden waarom het woord mishkan, Heiligdom wordt herhaald in Exodus 38,21: mishkan, mishkan ha-édoet. G’D toont net zoveel hartstocht voor hetgene in de verhullende regionen als voor het geopenbaarde in onze wereld.
Rabbi Shimon ben Gamliel verklaart in Midrash Nasso 16, dat toen G’D het universum creëerde, Hij ook een verblijf in de terrestrische wereld wenste, gelijk aan Zijn verblijf in de Celestische Regionen.
Wij hebben dit reeds eerder uitvoerig bediscussieerd. De reden dat G’D z’n verblijf niet had gevestigd, was om de schade die was toegebracht aan het universum, veroorzaakt door de zonden van Adam en successievelijke generaties. De totstandkoming van de verwantschap tussen G’D en het Joodse Volk bracht een welwillendheid teweeg die een simultane vestiging van Zijn verblijf mogelijk maakte, zowel in de terrestrische wereld als in zijn Hemelse tegenhanger.
Het Tabernakel is waarneembaar als een microkosmos en het bouwproces is compatibel aan het trapsgewijze creatieve scheppingsproces van het universum. Midrash Tanchoema op parashat pekoedé, analyseert dit uitvoerig.
We weten, dat toen G’D het universum creëerde, Hij alles vrouwelijk en mannelijk creëerde ( Baba Batra 74). De commentatoren leggen uit dat dit betekent dat G’D mashpia en moeshpa creëerde, actieve krachten met hun passieve tegenhangers. Dit kan worden beschreven in termen van waarneembare krachten die in zich onzichtbare krachten bevatten.
Of anders uitgedrukt: Er is een constante interactie tussen oorzaak en effect.
De mens is het uiteindelijk doel van het universum. Dit is iets waar al onze commentatoren zich tot het uiterste voor hebben inspannen om te bewijzen.
De mens bestaat uit lichaam en ziel, zowel een visueel als een niet visueel deel.
Dit is de diepere betekenis van Exodus 25,8 “we-asoe lie mikdash we-chantie betochaam,” “Ze zullen Mij een heiligdom maken, opdat Ik onder hen kan verblijven.” Het probleem hier is dat het spreekt over het Tabernakel.
Onze Rabbijnen in Shavoe’ot 16 vertellen ons dat de uitdrukking Tabernakel en Heiligdom onderling verwisselbaar mag worden gebruikt. Dit is niet het enige probleem in het vers. Waarom, als het Heiligdom één unit is, geeft de Thora weer dat Hij onder hen (meervoud) wil verblijven? In feite zou de Thora moeten schrijven betocho! We hebben hier een zinspelling naar het feit dat de oorzaak
het effect wil, m.a.w. het verhullende hunkert naar openbaring.
We hebben al eerder gesproken over het feit dat de mens een essentieel onderdeel is van het universum. Deze premisse van de Zohar wordt geciteerd in de verhandeling sh’ar kadosha van reshiet chochma aan het begin van hoofdstuk zeven. Daar wordt gestipuleerd dat de Mens een microkosmos is, en de verwijzing om de mens te vergelijken met het universum en het Heiligdom.
De auteur zegt hier uitdrukkelijk dat het menselijke hart correspondeert met het binnenste Heiligdom, kadoch kadoshiem, het Heilige der Heiligen.
Maimonides, in een brief aan zijn zoon Rabbi Abraham, citeert de boven genoemde tekst uit de Zohar en vergelijkt het Tabernakel en zijn interieur met een eminent lichaam. Als G’D zegt: “Ik zal onder hen verblijven,” bedoelt Hij, verblijven in hun essentie, een diepere essentie dan louter het interieur van het Tabernakel, het deel welke ook genoemd wordt mishkan ha-edoet, de Tent van het Getuigenis, m.a.w. de Thora.

SHABBAT SHALOM

 

Geef een reactie