PARASHAT SHELÁCH LECHÁ

Zend jij (Numeri 13:1 – 15:41) *

“De Almachtige sprak tot Mozes: zend mannen uit om Kana�n te verkennen, het land dat ik aan de Israëlieten geef” (Num. 13, 1). Niet alleen waren de resultaten van deze expeditie rampzalig, zoals de Thora ons meedeelt, ook de expeditie zelf was geheel en al verkeerd opgevat en slecht voorbereid. De idee om verkenners te sturen die het beloofde land zouden bespieden kwam niet van de Almachtige. Wanneer Mozes het verhaal weer vertelt (in Deut. 1), herinnert hij de Israëlieten eraan dat zij druk op hem uitoefenden om een onderzoeksteam samen te stellen dat het land zou verkennen. Hun onzekerheid was een teken van ongeloof in de Almachtige.

Niet dat ze niet alles deden wat noodzakelijk was in de voorbereiding van de verovering van het land. Een goede inlichtingendienst is noodzakelijk als men een oorlog met succes wil voeren. Ook in een later stadium, wanneer Jehoshoe’a op het punt stond om Jericho aan te vallen, werden mannen uitgestuurd naar het vijandelijke gebied Gos. 2), zelfs na de jammerlijke mislukking van het eerste verspieders project. De zending van de mannen die door Jehoshoe’a werden uitgestuurd, verliep bijzonder succesvol.

Welke waren de redenen voor hun falen nu en hun succes later?

In Mozes’ tijd maakte de vraag om spionnen te sturen geen deel uit van de oorlogvoering. Men wilde niet te weten komen, zoals in de tijd van Jehoshoe’a, welke de beste weg is om het land binnen te treden. Veeleer wilde men weten of het wel de moeite is om het land binnen te trekken. Is het wel werkelijk het land van melk en honing dat aan het volk Israël beloofd was? Alsof het land Israël binnentrekken voorwaardelijk zou kunnen gebeuren. Alsof men zou kunnen zeggen: ,Ik zal gaan, maar eerst moet ik zien of ik het daar wel naar mijn zin heb”.

Het verschil tussen de twee expedities ligt ook in de wijze waarop ze zijn samengesteld. Jehoshoe’a zendt twee anonieme geheime agenten die hun identiteit camoufleren door zich te verbergen in het huis van een prostitué. In Mozes’ tijd verkennen niet minder dan twaalf mannen het land. Elke stam moet hebben geëeist dat ze vertegenwoordigd zouden zijn in de belangrijke zending. De verkenners zijn derhalve geen anonieme geheime agenten, maar de ,leiders van Israël”. Ze worden uitdrukkelijk vermeld met naam en toenaam, zoals past bij een dergelijke vooraanstaande zending. Indien de Tora ons met illustraties gegeven was, dan zouden we hier zeker ook hun foto’s aantreffen. Het was zonder twijfel beneden hun waardigheid om te verblijven in het huis van een arme prostitué. Vooraanstaande leiders van een publieke missie verdienen toch te verblijven in een vijfsterrenhotel?

Kli Yaqar,

de populaire Tora-kommentaar van Rabbi Efralm van Luntschitsz (1558-1619), somt een bijkomende reden op voor de mislukking van de zending. De zending faalde, aldus de Kli Yaqar, omdat ze enkel was samengesteld uit mannen en omdat ze niettegenstaande haar buitengewone grootte, zelfs niet één vrouw bevatte. Indien ze de wil van de Almachtige hadden opgevolgd, dan zouden ze op deze zending vrouwen hebben gestuurd ,die veel beter dan mannen weten hoe het land Israël lief te hebben”.

De episode van de meragliem (verkenners) bleef een dramatische ervaring in de annalen van de geschiedenis van Israël. Het bezegelde het lot van een hele generatie die veroordeeld werd om in de woestijn om te komen zonder het land te bereiken. Het gebeuren had ook diepgaande invloed op toekomstige generaties.

Van de “verkenners” werd gevraagd dat ze naar het land zouden gaan en dat ze zouden terugkeren met een rapport van wat zij hadden gezien. Zo gebeurde. Ze logen niet. Ze veranderden de feiten niet zoals ze die gezien hadden. Ze brachten een getrouw rapport uit dat niemand in twijfel trok. Wat was er dan zo vreselijk in hun daden dat ze zo streng werden veroordeeld?

Ze werden veroordeeld omdat ze verder gingen dan datgene waarvoor ze waren aangesteld. Ze waren gedelegeerd om feiten vast te stellen en daartoe kregen ze specifieke opdrachten (verzen 17-20). Ze spaarden inderdaad geen moeite om deze opdracht uit te voeren. Ze doorkruisten het land, hielden de ogen wijd open en namen alles in zich op wat ze zagen.

Toen ze terugkeerden brachten ze over dit alles een gedetailleerd verslag uit. Tot zover geen probleem. De tragische schade wordt veroorzaakt door toevoeging van één enkel woord aan het verder objektieve rapport.

“Wij zijn in het land geweest waar u ons naartoe stuurde en het vloeit werkelijk over van melk en honing, kijk maar eens naar deze vruchten” (v. 27).

Ze staafden hun getuigenis met concreet bewijsmateriaal. Dan echter voegden ze er één woord aan toe: ,,Maar” – en ze vervolgden hun verslag – ,,het volk dat er woont is buitengewoon sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot” (v. 28).

Hadden ze het woordje “maar” weggelaten, dan waren ze binnen de perken van hun feiten rapport gebleven. Een land dat overvloeit van melk en honing, een land met een buitengewoon sterk volk, een land met grote en sterk ommuurde steden enz.. . Door toevoeging van het woordje,,maar” hield het rapport op een feiten verslag te zijn en verwerd het tot een poging om de publieke opinie te beïnvloeden.

Het verhitte debat dat plaatsvond tussen de tien spionnen en de dissidenten Kalev zoon van Jefoené, en Jehoshoe’a bin-Noen betrof niet de feiten die door niemand in twijfel werden getrokken, maar veeleer de besluiten die uit deze feiten werden getrokken.

Het dramatische publieke debat bracht de subtiele poging van de spionnen aan het licht om vrees en paniek te zaaien onder het volk, waartegen Kalev en Jehoshoe’a zich verzetten.

In hun demoraliserende campagne wilden de spionnen de aandacht vestigen op de ‘anakiem, een geslacht van reuzen, wiens aanwezigheid in het land Kana�n het de Israëlieten onmogelijk zou maken om het land te veroveren. De herhaalde vermelding van de ‘anakiem was bedoeld om het volk te ontmoedigen en hun hart te doen wegsmelten. ,,Wij voelden ons sprinkhanen en daarvoor moeten ze ons ook hebben aangezien” (Num. 13, 33). Als iemand niets is in zijn eigen ogen, zo commentarieert een hedendaagse Rabbi, dan verschijnt hij ook als zodanig in de ogen van anderen.

Jehoshoe’a en Kalev spraken de feiten niet tegen zoals die werden voorgesteld in het meerderheid rapport. ,,Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben is een prachtig land”, zo zeggen ze (Num. 14, 7). De steden zijn inderdaad groot en versterkt, maar dit moet niet afschrikken. Ook moet men niet bevreesd zijn voor de anakiem, ,want ze zijn lachménoe [onze spijs]. Van hen is de beschermende schaduw geweken” (Num. 14, 9). Het woord lachménoe wordt gewoonlijk vertaald door ,ons brood”. Volgens Rashi betekent lachménoe dat de reuzen zullen worden opgeslokt als brood.

Een meer verrassende interpretatie van lachménoe is dat het zou komen van dezelfde wortel als milchama (oorlog). In deze interpretatie zetten Jehoshoe’a en Kalev het volk ertoe aan om weer vertrouwen te krijgen in hun eigen kracht. Ze gaan nog verder door te verklaren dat de ‘anakiem, voor wie het volk zo bevreesd is, voor hen lachménoe-onze oorlog zijn: ze zullen persoonlijk met hen afrekenen. Ze beperken zich niet enkel tot spreken, ze zullen ook handelen en hun persoonlijke verantwoordelijkheid opnemen om de degelijkheid van hun standpunt te bewijzen.

Het is verbazingwekkend dat vijf en veertig jaar later wanneer het land wordt veroverd door de Israëlieten, Jehoshoe’a en de vijf en tachtigjarige Kalev hun belofte niet hadden vergeten en dat ze persoonlijk met de ‘anakiem afrekenden. Het verhaal wordt in detail verteld in het boek Jehoshoe’a op het einde van hoofdstuk elf en in hoofdstuk veertien.

* Zie ook Parashat Shelach Lecha (10-06-2001) in het Archief op onze Website www.bethhamidrash.org

Geef een reactie