PARASHAT SHELACH LECHA

ZEND JIJ. (Numeri 13:1 – 15:41)

Shabbat 16 juni / 25 Siewan 

In de parasha lezen we van het verslag van de verkenners, die waren gestuurd door Mosje Rabbeinoe, om het Beloofde Land Kana�n met zijn inwoners en natuur te verkennen. Toen de twaalf terugkwamen, gaven tien van hen, letterlijk vertaald, “het advies van wanhoop”. Ze braken het moreel van het Joodse volk door te suggereren, dat zij niet in staat zouden zijn het land te veroveren. De volkeren die verblijven in het land zijn woest en barbaars, Anak, reuzen. En de steden groot en onneembaar, kortom wij zijn niet in staat te gaan strijden tegen deze volkeren, zij zijn veel sterker dan wij. De rabbijnen in de Talmoed (sota 35 a) die deze episode uitvoerig behandelen, halen aan dat de woorden “dan wij”, in het Hebreeuws ook kunnen worden vertaald met “dan Hij”. De verkenners zeggen dan: “Zij zijn sterker dan Hij”,G.D..
Wat is de betekenis van deze opmerkelijke episode die zijn weerga en echo door de historie van het Joodse volk heeft gehad? De dag dat de verkenners verslag deden, was de negende Av, de datum van zoveel nationale rouw, onder andere de eerste en tweede Tempel werden op die datum verwoest, de inquisitie in Spanje ingesteld en de Eerste Wereldoorlog brak uit.
Hoe konden de verkenners zo snel na de miraculeuze uittocht en de splijting van de Rode Zee, Matan Thora, het manna, de bron van Mirjam, twijfelen dat G.D. hen niet bijstond in het overwinnen en veroveren van het land? Hoe is het mogelijk als men bedenkt dat het hier, zoals in het begin van de parasha vermeld staat, “allen, vooraanstaande mannen onder de kinderen van Israël” betrof, de crème de la crème van elke stam, Thora Chacham, Thorageleerden. Hoe was het mogelijk dat de moraal van het Joodse volk zo snel was gebroken? De verklaring is deze.

De verkenners waren niet echt bevangen van bangheid voor een fysieke nederlaag, ze vreesden een spirituele nederlaag. In de wildernis werd elke Israëliet voorzien door G.D. in zijn benodigdheden: ze werkten niet, voor voedsel was er het brood, manna, wat neerkwam uit de hemel, er was water uit de bron van Mirjam, enzovoort. Men begreep dat bij het in bezit nemen van het land Israël er een nieuwe manier van verantwoording nodig was. Manna zal ophouden, brood zal er alleen komen door verbouwing, de voorziening door wonderen zou worden vervangen door arbeid. Ze waren bevreesd ten aanzien van het bewerken van het land en het levensonderhoud in het algemeen, zoals ze verhalen in vers 32: “Het land waar we doorheen getrokken zijn om te verkennen, is een land dat zijn bewoners uitteert”. Letterlijk staat er: “Het land eet op zijn inwoners”. Wat inhoudt: het land en zijn werk, zijn arbeid en het bezig zijn met het materiele slokt op, consumeert al onze energie. Hun opinie was dat het spirituele, het beste floreert in afzondering en teruggetrokkenheid, in de vredelievendheid van de wildernis, waar voedsel en verzorging komt van de hemel.

De verkenners vergissen zich compleet. De zin van het leven, volgens de Thora en mitswot is, niet de elevatie van de ziel, met andere woorden, is geen intellectuele hobby, zoals je dat in onze tijd zou vertalen, of een interessante studie, nee, het is het heiligen van deze wereld in elk facet van het dagelijks leven. Het uiteindelijk streven van Thora en mitswa is een verblijfplaats van G.d. in deze wereld te verwezenlijken, G.D. in het licht van deze wereld te brengen. Niet daarboven, maar hier. Het streven van de mitswa is het vinden van G.D in het natuurlijke en niet in het bovennatuurlijke. De wonderen waren ter ondersteuning van de Joden in de Bemidbar, de wildernis. Ze waren geen apex, geen toppunt van een spirituele ervaring. Ze waren er alleen als voorbereiding op de uiteindelijke taak, namelijk het land Israël in bezit te nemen en er een heilig land van te maken. En dat werd pas na veertig jaar weer mogelijk gemaakt door een nieuwe generatie. Hierin ligt de uiteindelijke taak van de mens, door het doen van Tora en mitswot, deze wereld en het leven in deze wereld te heiligen.

Geef een reactie