PARASHAT Re’ée

Zie (Deuteronomium. 11:26 – 16:17)

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar 106b

De volgende verhandeling van de Zohar werd gekozen door de heilige Ari als lezing voor “Chok L’Jisrael“, tweede dag parashat Re’ée. Het behandelt berouw, wat zeer passend is, aangezien parashat Re’ée gelezen wordt, vlak voor de periode dat Israël begint met het zeggen van Selichot, smeekgebeden om vergeving, die leiden naar Rosh Hashana.

We hebben geleerd dat er niets in deze wereld in de weg staat (het accepteren van G’D) van Teshoewa (terugkeer, berouw). Bovendien, iedereen die terugkeert [naar G’D, zelfs de slechten] is zeker van het ontvangen van dankbaarheid door de Heilige, Geprezen Zij Hij. En als hij terugkeert, wordt hij teruggebracht tot de Weg van het Leven.

“Leven” refereert hier aan het leven in de Ware Wereld, verder dan de strijd van goed en kwaad, welke deel uitmaakt van een lager bewustzijn, dat faalt in het zien van het Heilige, welke de waarheidsgetrouwe wereld is. De berouwhebbende (“Ba’al Teshoewa”, genaamd) wordt “gesommeerd” omdat G’ddelijke Voorzienigheid hem leidt en assisteert in zijn terugkeer naar de ware weg.

Dan, alhoewel hij dingen heeft bevlekt en schade toegebracht, wordt alles hersteld en alles terug gebracht tot zijn origine en pure vorm.

De veroorzaakte ontsiering bevlekt iemands spirituele gesteldheid. Deze bevlekking, welke het licht van de ziel verhindert te penetreren in persoonsbewustzijn, wordt verwijderd door oprecht berouw, en zal het licht onbelemmerd laten terugkeren.

Want zelfs met betrekking tot een besluit aangaande [welke G’D heeft gemaakt] een eed, welke men betreurt],  inviteert G’D hem om terug te komen. Zoals staat geschreven, “Zo waar Ik leef – spreekt de HEER -, ook al droeg Ik jou, koning Jechonja van Juda, zoon van Jojakim, als een zegelring aan Mijn rechterhand, ik zou je ervan afrukken. ” (Jeremia. 22:24) En er is geschreven [later in vers 30], “Dit zegt de HEER: “Stel deze man als kinderloos te boek, schrijf dat zijn leven mislukt is, want geen van zijn nakomelingen zal ooit op Davids troon zitten en over Juda regeren.” Echter, nadat hij terugkeerde in berouw, staat geschreven, “De zoon van Jechonja was Assir; diens zonen waren Sealtiël.” (Kronieken I 3:17)

Op een andere plaats leren we dat Jechonja en Coniah een en de zelfde persoon is. Inderdaad had hij kinderen ondanks het G’ddelijk decreet.

Van hier uit zien wij door berouw oordelen en decreten worden te niet gedaan en ijzeren ketenen breken, en niemand kan een Ba’al Teshoewa er van weerhouden om terug te keren. Dit is waarna verwezen wordt in het vers, “Zij zullen uitgaan en de lijken zien van de mannen die van Mij afvallig geworden zijn.” (Jesaja. 66:24) Het vers stelt niet dat de gene zonden hebben begaan in het verleden: maar het stelt uitdrukkelijk dat zij zondigen in de tegenwoordige tijd. Zij zondigen nog steeds omdat zij weigeren berouw te tonen.  Maar wanneer zij zichzelf zouden verlossen door berouw, zal zeker de Heilige, geprezen zij Hij, hen ontvangen.

Daarom, als een persoon, zelfs als hij tegen Hem in overtreding is en een ongepaste bevlekking veroorzaakt  [in de hogere Sefirot], terugkeert naar G’D, zal hij worden geaccepteerd met vergevingsgezindheid. G’D is absoluut vol van medelijden en is geheel barmhartig in al de werken van Zijn hand. Zoals in het vers wordt gesteld, “Goed is de Eeuwige voor allen, Zijn barmhartigheid strekt zich uit over al Zijn werken.” (Psalm 145:9)
Zelfs dieren en vogels ontvangen zijn vergevingsgezindheid, en als zij Zijn vergevingsgezindheid ontvangen, hoe veel te meer zullen mensen Hem erkennen en beseffen hoe ze hun Meester moeten prijzen.  Zijn barmhartigheid zal hen zeker bereiken en over hun zetelen. Dit bedoelde Koning David toen hij zei, “Groot is Uw medelijden, O G’D; geef me leven in overeenstemming met Uw gerechtigheid. ” (Psalm 119:156)

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie