PARASHAT RE`EE

Zie (Deuteronomium 11:26 – 16:17)

Het boek Deuteronomium (Deutero nomos, of ,,tweede wet” is de vertaling van het Hebreeuwse Mishne Tora) biedt een blauwdruk voor het leven van een ideale gemeenschap die in het beloofde land komt.

Het schrijft elk detail van het goede leven voor, wat niet alleen het volk voorspoedig en gelukkig maakt, maar ook aan elk individu de status van volledige gelijkheid verleent in de ogen van de wet en in de reeks mogelijkheden die voor ledereen openstaan.

De elkaar opvolgende hoofdstukken van Deuteronomium beschrijven inderdaad een ideaal, zo niet een utopisch beeld, en toch zijn deze hoofdstukken realistisch genoeg om het feit onder ogen te zien dat ,er altijd armen zullen blijven in het land” (Deut. 15, 7). Elke menselijke gemeenschap zal zelfs op het hoogtepunt van haar sociale vooruitgang armen en berooiden hebben. Hun onmiddellijke problemen moeten niet ,,voor kennis worden aangenomen” tot de tijd dat een globale hervorming van het systeem zal plaatsvinden, maar jij, het individu, moet handelen want ,ik gebied u uw hand te openen voor uw broers, voor de behoeftigen en armen in uw land” (Deut. 15, 1 1).

Het gebod van een ,,open hand”, door Mozes in de woestijn gegeven, vergezelde het volk Israël de hele geschiedenis door en speelde een belangrijke rol in de dramatische overleving van het joodse volk.

Het blijft tot op de dag van vandaag een typische trek, bijna een tweede natuur, van elke individuele jood.

Een aantal jaren geleden, op bezoek in Amerika, werd mij het volgende vermakelijke verhaal verteld over een korporaal die ’s ochtends bij het appel de namen van de mannen van zijn eenheid afriep:

,,Kelly”, riep hij.

,,Aanwezig”, klonk het antwoord.

,,Armstrong!”

,,Aanwezig”.

Toen kwam Cohen aan de beurt.

,,Cohen!” riep de korporaal, waarop Cohen, gewend aan zo vele liefdadigheidsoproepen, geheel automatisch antwoordde: ,,Vijfentwintig dollar!”

Het antwoord van Cohen was ongetwijfeld een echo van de woorden die duizenden jaren tevoren werden geuit en die sedertdien in de joodse levensweg zijn verworteld: ,,Is in een of andere stad van het land dat de Almachtige uw God u schenkt, een van uw broers tot armoede vervallen, dan moet ge niet hard zijn voor uw arme broer en uw beurs niet voor hem dichthouden. Ge moet die integendeel wijd opendoen en hem alles lenen wat hij tekort komt” (Deut. 15, 7-8).

Zoals de meeste andere geboden uit de Thora bleef dit gebod geen morele aansporing, maar kreeg het vlees en bloed in een reeks wetten die tot in het detail voorschrijven wanneer en hoe iemand ,,zijn hand moet openen”.

Mozes zegt: ,,Is er een van uw broeders tot armoede vervallen…

De rabbijnen leidden hieruit de regel af dat ,,de armen van uw eigen stad eerst moeten geholpen worden voor die van een andere stad” (Babylonische Talmoed, Baba metsia 71a).

Mozes zegt ook: ,In een of andere stad van het land dat de Almachtige u geeft. . . ” De rabbijnen leren dat men de armen in het Heilige Land moet helpen, vooraleer men iemand buiten het land helpt.

Alle wetten die handelen over het geven worden samengebracht onder de titel tsedaqa, wat gewoonlijk vertaald wordt door weldadigheid, maar wat rechtvaardigheid betekent. Dat de rabbijnen de term tsedaqa kozen ter aanduiding van het helpen van de armen is geenszins toevallig. Het duidt erop dat het bijstaan van de armen geen daad is van welwillendheid van de zijde van de gever, maar een plicht. Door de weldadigheid beoefent de gever rechtvaardigheid. In dit perspectief is de kunst van het geven niet minder belangrijk dan het geven zelf. De Thora waarschuwt ons (v. 10): ,,Geef met milde hand en met een blij gemoed”.

Men zal de behoeftige niet enkel verwijzen naar een reeks commissies en netwerken van sociale werkers en bureaucraten die soms vergeten dat het hun taak is om hulp te bieden en nood te verlichten. Verder verwacht de Thora van ons dat we onszelf onderrichten hoe te geven ,met een glimlach”, zonder te klagen over financiële moeilijkheden.

Maimonides (1 138-1204), die de joodse wet codificeerde, vermeldt dit principe in duidelijke bewoordingen: ,Een ieder die weigert weldadigheid te beoefenen, is goddeloos zoals de vereerder van afgoden… Eenieder die aan de armen aalmoezen geeft, niet welwillend en met neergeslagen blikken, diens verdienste voor zijn daad is verloren, zelfs al geeft hij duizend goudstukken. Hij moet welwillend geven, blij, met sympathie voor de arme in nood”. Maimonides stelt de kunst van het geven voor als een ladder met acht sporten, waarvan elke sport lager is dan de andere tot we de laagste sport bereiken. Beter de behoeftige een lening te verschaffen, met hem in een partnerrelatie treden, of hem werk bezorgen waardoor men hem helpt om zichzelf te onderhouden, dan de arme te helpen door weldadigheid te beoefenen. Minder dan dat is weldadigheid beoefenen op zulke wijze dat de gever en de ontvanger elkaar niet kennen. Daarna komt de schenking van geld aan een weldadigheidsfonds van de gemeente. Lager op de ladder is de situatie waarin de gever weet aan wie hij weldadigheid beoefent, maar de ontvanger weet niet van wie hij ontvangt. Daarop volgt het geval waarin de ontvanger de identiteit van de gever kent, maar niet omgekeerd (zoals de rabbijnen waarover wordt verteld in Talmoed, Ketoevot 67b, die sommen geld in linnen bundels samenbonden en ze dan achter zich gooiden naar de armen die het dan konden oprapen zonder zich beschaamd te voelen).

De volgende vier trappen op de ladder zijn: iemand die geld geeft aan de arme vooraleer hij erom wordt gevraagd; iemand die geld geeft nadat hij erom wordt gevraagd; iemand die minder geeft dan hij zou moeten, maar die het welwillend doet en tenslotte hij die grommelend geeft (Yad, Matnot Ani’iem 10, 1-14).

De wijzen van de Talmoed (Baba Batra 9a) beschouwden de weldadigheid ,als opwegend tegen alle andere geboden” en Maimonides in de twaalfde eeuw, nadat hij in detail alle wetten omtrent de tsedaqa heeft opgesomd, getuigt dat ,,we nooit hebben gehoord of gezien dat een joodse gemeenschap zonder weldadigheid zou zijn”.

SHABBAT SHALOM.

Geef een reactie