PARASHAT PINCHAS

Pinchas      Numeri. 25:10 – 30:1


Gebaseerd op Likkoetei Sichot, vol. pp. 176-181


Lubavitcher Rebbe

Onder bovengenoemde Israëlieten moet het Land in erfelijk bezit verdeeld worden, naar het ingeschreven aantal namen.

De talrijken moet je een groter erfgoed toewijzen en aan hen die gering in aantal zijn een kleiner erfgoed, ieder moet zijn erfgoed toegewezen worden naar rato van de erbij getelden.

Het Land wordt echter naar loting verdeeld, volgens de namen van hun stamhuizen verkrijgen ze hun erfgoed.” (Numeri. 26:53-55)

Het Land Israël werd op drie wijze verdeeld:

(1)  Naar gelang de populatie, dat wil zeggen, hoe groter de volkstam des te groter het gedeelte,

(2)  Door het lot (dat G’D’s handwerk was) en

(3)  Door erfenis.

Met andere woorden, de verbinding die het Joodse volk heeft met het Land Israël existeert op drie verschillende wijzen:

(1)  Rationeel, met andere woorden, door hun eigen verdienste,

(2)  Door G’ddelijk decreet en

(3)  Door erfenis.

De reden hiervoor is dat G’D het Land Israël koos om de centrale vestiging te zijn waarin het proces zich zal ontvouwen om deze wereld tot Zijn verblijfplaats te maken. Het Joodse Volk is op de zelfde manier de natie die G’D koos om de centrale speler te zijn in dit drama. Daarom moet de relatie die tot stand is gebracht tussen het gekozen Volk en het gekozen Land, door G’D vastgesteld, dit reflecteren.

In de terminologie van Kabbala, vindt de contractuele verhouding tussen G’D en Israël plaats op het niveau van G’ddelijkheid waarin G’D Zijn aanwezigheid heeft “samengetrokken” in de beperkingen van logica en natuur, met andere woorden, Zijn immanent scheppend “Licht” (mamalei kol almin). De vrije wil relatie vindt plaats op het niveau van G’ddelijkheid waarin G’D’s aanwezigheid niet is begrensd door de limitaties van de scheppende realiteit, maar nog steeds scheppende G’ddelijkheid is, met andere woorden, gecontextualiseerd door zijn verhouding met de Schepping. Dit is Zijn transcendente creatieve “Licht” (sovev kol almin). De erfenis verhouding vindt plaats op het niveau van G’D’s essentie die totaal boven de context van de Schepping is.

De verhouding tussen G’D en het Joodse Volk is ook drievoudig, zoals wordt aangegeven in de dagelijkse ochtendliturgie, “Gelukkig zijn wij, hoe goed is ons deel, hoe aangenaam is ons lot, en hoe prachtig is onze erfenis.

DEEL” refereert aan de contractuele verhouding tussen G”D en Israël. We hebben ons verplicht om G’D te dienen op verschillende manieren en Hij heeft beloofd om ons te belonen voor onze dienst aan Hem. Het deel dat wij ontvangen van G”D is evenredig aan de inspanning die we verrichten om het te verdienen. Op een dieper niveau refereert “deel” aan het feit dat de G’ddelijke Joodse ziel “ een waarachtig deel van G’D Boven is”, zoals wordt gezegd in de Tanya, juist zoals een kind gezien mag worden als een verlenging van zijn ouders. Deze intrinsieke relatie tussen G’D en het Joodse Volk maakt hen onafscheidelijk.

LOT” refereert aan de boven rationele verhouding die G’D onderhoudt met ons door ons uit te kiezen om de Thora te ontvangen en de dragers te zijn van Zijn boodschap aan de mensheid. Deze keus was een handeling van absolute vrije wil van G’D’s kant. Hij was niet gedwongen door enige logische vooringenomenheid om ons te kiezen. Dit is gelijk aan het feit dat de wijze waarop het lot treft niet bepaald wordt door enige externe factoren. Deze boven rationele verhouding is niet alleen dieper dan de contractuele dienst – beloning verhouding, maar is ook dieper dan de intrinsieke ouder – kind relatie, aangezien het G’D “dwingt”, bij wijze van spreken tot een verbinding met Israël. Afgezien hier van koos G’D Israël ook vanuit Zijn Eigen Boven rationele Wil.

“ERFENIS” refereert aan de wederzijdse vervlochtenheid tussen G”D en Israël. Volgens de Joodse Wet neemt de erfgenaam de legale status aan van de ouders en neemt daarbij automatisch bezit van zijn ouderlijke eigendommen. Hij verdient het niet, noch verkozen de ouders het hem na te laten, hij wordt in essentie zijn ouder. Hier is het Joodse Volk niet een separate entiteit die G’D verkoos, zij en G’D zijn, om zo te zeggen, één en dezelfde.

Voor dat de Thora was gegeven was de relatie tussen G’D en het Joodse Volk uitsluitend op een contractueel en kind – ouder niveau. Dienst aan G’D was beperkt, een enkeling kon G’D dienen en G’ddelijke revelatie teweeg brengen naar de omvang van zijn natuurlijke talenten en eigenschappen, maar niet verder. Toch toonde G’D het Joodse Volk speciale aandacht vanwege de G’ddelijke ziel die zij bezaten vanaf de tijd van Abraham.

Toen de Thora werd gegeven werd de vrije keus in de relatie van G’D en Israël toegevoegd. Vanaf dit punt geeft G’D de toon aan in de verhouding, dat wil zeggen dat zelfs de wederzijdse dienst – beloning niet langer gelimiteerd is door onze eindige capaciteiten. De Thora en zijn mitzwot stellen ons in staat om G’ddelijk bewustzijn te realiseren ver boven onze natuurlijke vermogens uitreikend.

In de Messiaanse Verlossing echter, zal de erfenis verhouding van cruciaal belang worden. Ons wezenlijk bewustzijn zal samensmelten en co-existeren met het bewustzijn van de Schepper, als onze unieke persoonlijkheden op paradoxale wijze stralen binnen G’D’s absolute realiteit.

Dus aangezien het Land Israël, zoals we hebben gezegd, was bestemd de microkosmos te zijn waarin het omvattende proces van het transformeren van de fysieke wereld tot G”D’s verblijfplaats zich voltrekt, was het een noodzaak om de verhouding te vestigen op alle drie niveaus, rationeel, boven rationeel en intrinsiek. Op deze manier is onze intocht en in het bezit nemen van het Land een aankondiging van de Uiteindelijke Verlossing, waarin onze essentiële intrinsieke identiteit met G’D het operationele bewustzijn van de realiteit zal worden.

SHABBAT SHALOM

Één reactie op “PARASHAT PINCHAS

  1. Bijna 22 jaar woon ik al in Jeruzalem. Ik “voel”de heiligheid van het land en van Jeruzalem. Maar tegelijkertijd zie ik dat er een enorme milieuverontreiniging is, het land wordt verpest door gif in de rivieren en door afschuwelijke bouwprojecten, er zijn tal van armoedige wijken, er is corruptie en grote inkomensongelijkheid, de de afscheidingsmuur snijdt als een betonnen lint door het landschap en ik vraag me af of we werkelijk bezig zijn met “het begin van onze verlossing”. Ook vraag ik me af of het nodig is dat iedere Jood in dit kleine landje komt wonen. Kun je niet een goed Joods leven leiden ook als je in de diaspora woont, ondanks de grotere verlokking van assimilatie?

Geef een reactie