PARASHAT PINCHAS

Pinchas (Numeri 25:10 – 30:1)

Gezegend zij Hij, die de mens heeft voorzien van verstandelijke vermogens, die ons lichaam en onze G’ddelijke ziel op zo’n hoge wijze heeft verfijnd, dat zij kunnen samenwerken om dewékoet HaShem, een ware hechte verhouding met G’D, te bewerkstelligen, zodat de mens voor eeuwig kan leven.

In deze staat was de mens in eerste instantie geschapen. Ongelukkigerwijs heeft de mens deze ideale staat tenietgedaan, waardoor zijn lichaam een inferieure materie werd. Het remediëren van deze existerende staat is alleen mogelijk door de dood van het lichaam, m.a.w de destructie van het omhulsel, en zijn uiteindelijke herleving in de Messiaanse Tijd, want dan zal de mensheid terugkeren naar de oorspronkelijke onschuldige staat die existeerde onmiddellijk na de schepping van Adam.
Aanwijzingen voor z’n toekomst vinden we in verklaringen van Rabbi Jochanan in traktaat Pessachiem 88: “de dag dat de bannelingen worden verzameld is net zo geweldig als de dag dat hemel en aarde werden geschapen, Hosea 2,2 beschrijft het als: Als Jehoeda en Israël zich verzamelen en tezamen één leider voor zich zelf aanstellen; verrijzen zij van de grond, want de dag zal wonderbaar zijn voor Jisraël.” Ook is er geschreven: “ Het werd avond en het werd ochtend: één dag”( Genesis.1,5 ) [de dag van Jisraël is een verwijzing naar de eerste dag in Genesis]. Wanneer de ware inzameling van de bannelingen zal plaatsvinden, bij de komst van onze rechtschapen Mashiach, zal de Schepping zichzelf vernieuwen; een nieuw “licht” zal verschijnen, waardoor de natuurlijke structuren van de wereld zullen veranderen. En lichaam en ziel zullen in staat zijn om samen te smelten. Ook de aarde zelf, ondanks puur materie, zal vervuld zijn met kennis; dus samen, de perfecte existentie “hier beneden” en de volle omvang van G’D’s zegeningen van “boven” zal worden ervaren, zodat lichaam en ziel voor eeuwig kunnen leven.
Bij de schepping werd de mens beschreven als “adam bikaar bal jalien” “niet in staat om de nacht te overleven, ondanks zijn waardevolle eigenschappen.” ( Psalm. 49,13 ) De mens heeft zijn mogelijkheden zo gecorrumpeerd, dat sterfelijkheid over hem werd uitgeroepen. Echter, G’D heeft ons de Thora gegeven, waardoor wij de benodigde verdienste kunnen verwerven van een verzekerde en eeuwig durende toekomst. Hij heeft ons de mitswot gegeven, welke ons leren dat het inderdaad zo is, want zij bepalen en voorzien het gegeven van de uiteindelijke onsterfelijkheid van het lichaam, in toevoeging aan dat van de ziel. In de huidige tijd is de “onsterfelijkheid” van het menselijk lichaam beperkt aan de mens als soort.
Dor holeech wedor ba, “een generatie gaat, en een andere komt in zijn plaats” (Prediker. 1,4). Echter, de menselijke ziel geniet het eeuwige leven zelfs nu reeds in deze tijd, want elke individuele ziel overleeft de dood van zijn lichaam.
Het lichaam leeft door de ziel, wanneer het sterft is dat permanent, echter de ziel, welke eeuwig is, kan niet leven in een dood lichaam.
De ware vereniging van ziel en lichaam zal in de toekomst plaatsvinden, zoals we dagelijks zeggen als we onze tefillien, gebedsriemen, aanleggen: “we’érastich lie le’olam,” Ik verbind je aan Mij voor eeuwig (Hosea. 2,21).
De profeet continueert met, dat dit een waargetrouwe verbinding zal zijn, “be’emoena.” Op dat tijdstip, zal lichaam en ziel een oneindig durend partnerschap hebben bereikt.

SHABAT SHALOM

Geef een reactie