PARASHAT PINCHAS

Pinchas (Numeri 25:10 – 30:1)

De voornaamste bekommernis van Mozes, wanneer hij zich voorbereidt om deze wereld te verlaten, betreft niet zijn eigen familie of privé-zaken. Het is het volk waarom hij zich het meest bekommert. Bezorgd om de aanstelling van een opvolger, wendt hij zich tot de Almachtige met het gebed: “Laat dan de Almachtige, de God die aan alle mensen het leven schenkt, over de gemeenschap iemand aanstellen” (Num. 27, 16).

Hij dringt erop aan dat de aanstelling nu zou plaatsvinden. Niet omdat hij geen gepaste kandidaat voor de job ziet. Integendeel, zegt de Rebbe van Kotzk, hij kent iemand die de kwaliteiten heeft van een “natuurlijke” opvolger en dat is Pinchas die zich nog maar even tevoren als een moedig leider had gedragen door overtreders te doden, waardoor Gods toorn over het volk werd afgewend.

De actie van Pinchas, de ijveraar, werd zelfs door de Almachtige zelf ondersteund. En dat is juist wat Mozes, de ervaren en vertrouwde leider, afschrikt. Hij houdt van Pinchas en zonder twijfel keurt hij zijn moedige daad ook goed. Maar tezelfdertijd ziet hij in dat deze ijveraar, die in een moment van crisis besloot om de wet in eigen hand te nemen, onmogelijk de leider van zijn volk kan worden. Hij vraagt de Almachtige om een nieuwe leider te benoemen en somt de eigenschappen op die hij graag in de toekomstige leider zou aanwezig zien.

Volgens de klassieke commentator Rashi en volgens de Midrash is de impliciete betekenis van Mozes gebed tot de Almachtige als volgt:”Heerser van de wereld, Gij kent de geesten van alle mensen en hoe de geest van een mens verschilt van die van een andere.

Stel over hen een leider aan die in staat zal zijn om geduld te hebben met de verschillende geesten van elk van uw kinderen”.

De ware leider is geen fanatiekeling met een idee, maar iemand die in staat is alle standpunten te verdragen. “Een man boven de gemeenschap”, een die boven de kleine partijpolitiek staat. Als de Almachtige Mozes gebed beantwoordt door Jehoshoe'a bin-Noen als de toekomstige leider aan te wijzen, beschrijft hij hem als een man “die van geest vervuld is” (v. 18). Rashi legt uit: “een man die weet hoe zich te weren tegen de geest van ieder van hen”.

Hiermee leert hij ons dat tolerant zijn niet noodzakelijk passiviteit of futloosheid inhoudt. Een goed leider moet zijn eigen gedachten kennen, hij moet in staat zijn om voor deze gedachten op te komen, maar ook moet hij open staan voor andere standpunten. Hij moet bereid zijn om eventueel van mening te veranderen of om zichzelf van vooropgezette ideeën te bevrijden. Hij moet niet het type zijn dat verklaart: “Mijn gedachten zijn klaar, – breng me niet in de war met feiten”.

Onder de “tekenen” van ontaarding die voor de komst van de Meshiach zullen plaats vinden, vermeldt de Talmoed pne ha-dor ki-fne ha-kelev, leiders met het karakter van een hondDe beroemde rabbijn Chafets Chayiem commentarieert: gewoonlijk loopt een hond voor zijn meester uit. Het lijkt erop alsof hij de weg bepaalt. In feite echter stopt de hond van tijd tot tijd om achterom te zien en te kijken in welke richting zijn meester wenst te gaan. Een leider die steeds achterom kijkt om te weten waar de massa naar toe wil, is geen leider en wordt vergeleken met een hond.

Welke andere kwaliteiten, benevens een vastberaden en open geest, wilde Mozes nog voor zijn opvolger? ,,Een man die voor hen zal gaan” (Num. 27, 17). Een oude Midrash (Sifri) interpreteert dat als volgt: ,,Niet als de koningen van andere volken die hun troepen de strijd insturen, terwijl ze zelf achterblijven, maar als iemand die voor zijn troepen uit gaat”.

Het feit dat het bevel om ten strijde te trekken of om een andere gevaarlijke operatie uit te voeren niet luidde “voorwaarts”, maar ,,acharai – volg mij!” was jarenlang de fierheid van het Israëlische verdedigingsleger (IDF) en deel van zijn “geheim wapen”.

Mozes vraagt verder dat zijn opvolger er een zou zijn “die hen uitleidt [naar de oorlog] en die hen thuisbrengt” (Num. 27, 17). Hij wist dat men een volk naar de oorlog kan leiden, maar dat het heel wat moeilijker is om hen uit de oorlog terug naar huis te brengen. Een werkelijk leider is in staat om beide opdrachten tot een goed einde te brengen.

En de Almachtige zei tot Mozes: “Leg Jehoshoe'a bin-Noen de hand op”. Jehoshoe'a was, zoals we weten, gedurende jaren Mozes' meest nabije hulp. Hij was ,de jonge helper die Mozes' tent niet verliet” (Ex. 33, 11). En toch dacht Mozes niet aan hem als zijn opvolger, tot de Almachtige hem zei: Hier is je man in je eigen achtertuin. “Leg uw hand op hem” (Num. 27, 18). Mozes deed wat hem bevolen werd van ganser harte. In plaats van een hand, legde hij beide handen op hem. Zo werd een leider gekozen aan wie de reusachtige taak werd toevertrouwd om het volk in hun lang beloofde land binnen te leiden.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie