PARASHAT NOACH

NOACH (Genesis 6:9 – 11:32)

De Universele boodschap van de Thora

Een meer verheven en vorstelijk verhaal dan het bijbelse verhaal van de schepping, is in de wereldliteratuur moeilijk te vinden. Het kompakte verhaal vanaf het moment dat de Almachtige verordent ,,Er weze licht” tot het binnenkomen van shabbat, is vol van de vreugde van kreativiteit en geluk. Op elke dag van de schepping volgt de bevestiging: “G'd zag dat het goed was”. Na de zes dagen van de schepping wordt zelfs besloten: “God zag dat het heel goed was”. En tenslotte komt de vredevolle rust van shabbat de wereld binnen, snel nadat man en vrouw op het wereldtoneel zijn verschenen.

Een psalm, een gezang op de dag van shabbat zit in de lucht. Het duurt echter niet lang of deze idyllische toestand wordt brutaal onderbroken. De volgende hoofdstukken brengen ons in de tragische werkelijkheid, niet enkel van het menselijk bestaan maar ook van de Almachtige zelf.

De verzen die aan het begin van het zesde hoofdstuk van Genesis staan, zijn schrikwekkend en hebben velen sinds hun kinderjaren achtervolgd.,, En de Almachtige zag hoe zeer op de aarde de boosheid van de mensen was toegenomen en hoezeer de begeerte van hun hart de hele dag naar het kwade uitging. Toen kreeg Hij spijt dat Hij de mens op aarde gemaakt had en Hij was er zeer verdrietig om”.

Wat een vreeswekkende samenvatting van de toestand van de mens en van de Almachtige die nog maar pas het wereldtoneel had betreden vol licht, vreugde en verwachting. Wat een vreselijke schildering van een G'd wiens hart vervuld is met pijn en verdriet. Hoe bracht Hij zichzelf in zo'n situatie? Is Hij dan niet almachtig en alwetend? Had Hij zich dan niet makkelijk kunnen laten opvrolijken door de beste muzikanten en zich laten vermaken door de beste speelmannen in de wereld? Hij is toch de Almachtige? Hij kan toch alles doen en Hij bekomt toch alles wat Hij wil? Of niet?

Inderdaad, alleen een bijbelse empatische God die zich onlosmakelijk verbonden heeft met de menselijke zaak, kan aldus beschreven worden. Zeker niet de God van de filosofen, of de God in de algemeen populaire opvatting.

In het midden van deze grimmige beschrijving en nadat alles verloren schijnt – klaar om uiteen te

vallen-, zegt de Almachtige: ,,Ik ga de mens die Ik geschapen heb van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee en de kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt Me dat ik ze gemaakt heb” (v. 7). Plots echter duikt een straal van licht op: ,Maar Noach vond genade in de ogen van de Almachtige” (v. 8). De wereld zal niet in brokken uiteen vallen, zal toch overleven en gered worden omwille van een persoon, omwille van Noach, een rechtvaardig mens.

De wereld, of wat ervan is overgebleven in de tijd tussen Adam en Avraham na de holocaust van de zondvloed, krijgt een nieuwe kans. Een nieuwe bladzijde wordt begonnen. Er is opnieuw een glimlach op het gelaat van de Almachtige. ,De Almachtige rook de aangename geur en zei bij zichzelf. nooit meer zal Ik de aardbodem vervoeken omwille van de mensen, al is het hart van de mens geneigd tot het kwaad van jongsaf aan. Ook de andere wezens zal Ik nooit meer treffen zoals Ik nu gedaan heb. Zolang de aarde bestaat blijft er zaai- en oogsttijd, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht. Nooit houdt het op” (Gen. 8, 21-22).

Het is alsof de wereld opnieuw werd geschapen op dit moment. Deze keer door een verbond met de mensheid, vertegenwoordigd door Noachs familie, van wie de hele mensheid afstamt.

Het zal nog eens tien generaties duren vooraleer Avraham een ander, meer bijzonder verbond met de Almachtige sluit. Dit verbond zal aan het begin van het joodsc volk staan, uitverkoren tot een bijzondere taak onder de volkeren op aarde.

Het eerste verbond evenwel wordt gesloten met heel de mensheid. De rabbijnse literatuur verwijst ernaar als naar het verbond met de ,b'ne Noach”, de kinderen van Noach.

De inhoud van het verbond is bindend voor elk menselijk wezen, joden inbegrepen, aangezien ,er niets is wat toegelaten is voor joden en verboden voor niet-joden”. Integendeel: is er heel wat voorgeschreven voor joden, wat niet voorgeschreven is voor niet-joden. Het aantal voorschriften voor joden bedraagt zeshonderddertien: het aantal voorschriften voor de kinderen van Noach slechts zeven.

Deze zeven voorschriften, afgeleid uit de Schrift en opgesomd in de Talmoed (Sanhedrin 56a-b), staan ook bekend als de Noachitische geboden. Ze worden beschouwd als de fundamentele, universele wet zoals die gezien wordt vanuit het standpunt van de Tora. Als de Almachtige de Schepper van alle mensen is – en dat is Hij in de Bijbel-,dan is Hij niet enkel bekommerd om Israel en onderricht Hij niet enkel Israel in de levensweg. De Tora (wat onderricht betekent) die ons vertelt over de goddelijke schepping van het hele universum omvat zeker ook richtlijnen voor elk schepsel Gods. Deze richtlijnen worden geformuleerd in de Noachitische geboden welke de essentiele morele vereisten inhouden voor het overleven van individu en gemeenschap.

De Tora ontwikkelt zich als bijzonder onderricht voor Israel in zijn specifiek etnische en geografische achtergrond. Maar de Tora geeft ook de eisen aan die gesteld worden aan hen die zich willen inschakelen in het Noachitische verbond met alle menselijke wezens. Daarenboven is het heil of ,een deel in de toekomstige wereld” niet beperkt tot joden die zich te houden hebben aan de zeshonderddertien geboden of tot hen die zich bij hen voegen. Het wordt eveneens in het vooruitzicht gesteld voor niet-joden, die zich houden aan de zeven voorschriften van de ,kinderen van Noach”.

De poorten zijn open voor hen die tot het jodendom wensen over te gaan en de hele geschiedenis en religie van Israel op zich wensen te nemen. Maar het was nooit de bedoeling van het jodendom om de hele wereld joods te maken. Rabbi Eliyahoe Benamozegh, die uitvoerig schreef over het Noachisme, stelt dat vroege christenen dit nooit hebben begrepen. Ze zouden slechts twee wegen voor ogen hebben gehad. Of de hele wereld zou de volledige Tora moeten aanvaarden of de joden zouden hun gehechtheid aan de Tora moeten opgeven om de aan hen gerichte goddellijke boodschap open te stellen voor allen. De vroege christenen verkozen de laatste weg te propageren.

En zo kreeg de wereld de universele boodschap van het jodendom – in de formulering van de historicus Arnold Toynbee – of in de vorm van een christelijk jodendom of in de vorm van een moslim jodendom, welke beiden de koncepten van het monotheisme onzuiver doorgaven.

De wereld wacht nog steeds, aldus Toynbee, op de universele boodschap van het joodse jodendom. Deze boodschap is te zoeken in de idee en de inhoud van het verbond en in de zeven wetten van Noach.

Geef een reactie