PARASHAT NOACH

Noach (Genesis. 6:9 – 11:32)

 

RABBI JITZCHAK LURIA


De geschriften van de Ari

Toen Noach, na de vloed, uit de ark kwam dicteerde G’D aan hem de zeven Noachidische geboden. Inhoudend, het verbod om het vlees van een levend dier af te stropen, wat het algemeen onnodig pijnlijden van dieren aangeeft. Ten aanzien van het doden van dieren wordt in de Zohar, 11:68b aangehaald, dat geen enkel creatuur doelloos is geschapen.

Het is [daarom] verboden om dieren doelloos te doden.

De wijzen verklaren: “Alles wat de Eeuwige, geprezen zij Hij, creëert, creëert Hij alleen voor Zijn eer, zoals staat geschreven, Alles wat genoemd wordt in Mijn naam en voor Mijn eer, creëerde Ik, Ik vormde het, Ik maakte het Zelf.” (Avot 6:11; Jesaja 43:7)

We zullen nu zien hoe de Arizal deze verklaring uiterst persoonlijk concludeerde, en ten opzichte hiervan dat zich gedroeg met uiterste piëteit.

Mijn leraar [de Arizal] was uiterst voorzichtig om geen enkel insect te doden, zelfs niet de kleinste en de onaanzienlijkste zoals, vlooien, luizen en dergelijke, zelfs niet als zij hem beten.

We weten wat de Wijzen zeggen, commentariërend op het vers, “Zijn vijanden zullen ook vrede sluiten met hem” (Spreuken 16:7), sommigen zeggen dat dit verwijst naar de hond, anderen zeggen dat dit verwijst naar de slang, en nog anderen zeggen dat dit refereert aan de vlo. Jeruzalem Talmoed, Teroema)

Deze gedachte is het antwoord van Rabbi Elazar aan Rabbi Chizkiya opgenomen in de Zohar ( II:68), waar de mythische betekenis van het vers “Zal de slang bijten zonder gefluister (Prediker 10:11) wordt verklaard.  

Rabbi Elazar en Rabbi Chizkiya wandelden samen en passeerden een slang. Rabbi Chizkiya was van plan de slang te doden, maar Rabbi Elazar zei hem dit niet te doen. Toen Rabbi Chizkiya protesteerde, met het argument dat het een gevaarlijk dier was, citeerde Rabbi Elazar het bovenstaande vers, en interpreteerde het met de betekenis, dat een slang alleen iemand bijt als G’D hem influistert dit te doen.
G’D creëerde slangen om bepaalde mensen te doden om daardoor hen te verhinderen en te weerhouden dat zij kwaad doen. Om zeker te zijn dat wij schepsels niet onnodig doden. Maar zich onthouden van het doden van dieren die een dreigende houding aannemen t.a.v. menselijk leven ( of gevaarlijke ziekten kunnen overbrengen) is strijdig met de Joodse wetgeving en het is te betwijfelen of enig Thora autoriteit dit zou toestaan. Inderdaad is het toegestaan gevaarlijke slangen te doden op Shabbat, wanneer dat normaal gesproken is verboden.

We mogen aannemen dat de Arizal zich geen zorgen hoefde te maken om het in leven of niet in leven te laten van slangen, omdat hij niet bang hoefde te zijn te worden gebeten om hem beletten te zondigen.
Anderzijds zien we dat hij werd gebeten door insecten en ongedierte. De vraag is hoe de Arizal zich kon onthouden van het doden van slangen en dergelijke en hen toestond een gevaar te zijn voor anderen. Misschien bedoelde de Arizal alleen dat we geen slangen moeten doden in hun natuurlijk wilde leefomstandigheden, maar alleen als zij dicht bevolkte menselijke gebieden in gevaar brengen (of als het mogelijk is hen terug te plaatsen in hun natuurlijke omgeving).

Maar dit alles is enkel gissing. Het kan net zo goed mogelijk zijn dat de Arizal het voorkomen van het doden van creaturen in zijn geheel bepleit, zelfs ten koste van een menselijk leven.

SHABBAT SHALOM

 

Geef een reactie