PARASHAT NITSAVIEM

Aangetreden (Deuteronomium 29:9 – 30:20)

Herhaaldelijk wijst Mozes erop dat de enige weg voor overleving van het volk bestaat in de aanvaarding van de geboden van de Almachtige zoals die in de Thora zijn geformuleerd. Hij geeft een volledige en gedetailleerde lijst van zegeningen die ze zullen ontvangen als ze zullen “luisteren”. Ook heeft Mozes het over de vervloekingen die over hen zullen komen als ze niet luisteren.

Hij roept hemel en aarde als getuige op dat hij voor het volk in duidelijke termen de voorwaarden voor leven en dood heeft uiteengezet. Ondertussen blijft hij pleiten: “Kies dan het leven, dan zult ge met uw nakomelingen het leven bezitten” (Deut. 30, 19).

Men zou zich met Erich Fromm kunnen afvragen hoe de mens een keuze kan maken tussen leven en dood. De mens is óf in leven óf dood. Er is geen keuze, tenzij men de mogelijkheid van zelfmoord overweegt. Maar, zo zegt Fromm, de bijbelse tekst verwijst niet naar leven en dood als biologische feiten, maar als waarden.

In leven zijn betekent groeien, antwoorden, ontwikkelen. Dood zijn (zelfs als men biologisch in leven is) betekent: niet meer groeien, meer en meer een fossiel worden en een levenloos object. Velen hebben nooit dit klare alternatief tussen de waarden van leven en dood voor ogen en leven derhalve als een soort “zombie” wiens lichaam nog levend is, maar wiens ziel is afgestorven. Leven kiezen is de noodzakelijke voorwaarde voor liefde, vrijheid en waarheid. Het is ook de voorwaarde om de Almachtige lief te hebben, want – in de woorden van de psalmist – “niet de doden prijzen U”.

Mozes bedoelt hier ook dat, wanneer men de keuze maakt, men die niet alleen voor zichzelf maakt, maar ook voor zijn kinderen. Het is alsof Mozes zegt: verzeker je ervan dat de weg van de Thora die je aanvaardt niet de weg is die de kloof tussen generaties veroorzaakt. Een cultuur en een levensweg kunnen niet worden getest in één generatie. De toets wordt enkel doorstaan als de levensweg wordt voortgezet en een begaanbare weg blijkt te zijn voor “u en uw kinderen”.

De geboden voorgeschreven in de Thora waren bedoeld om een band te smeden tussen ouders en kinderen, niet om een kloof tussen hen te veroorzaken. Door het vervullen van de geboden kunnen de families gaan samenzitten rond één en dezelfde tafel en ideeën en idealen delen.

Mozes probeert dit punt verder te bewijzen door het domein van de Thora te bepalen. “Want de geboden die Ik u heden geef, zijn niet te zwaar voor u en ze liggen niet buiten uw bereik” (v. 1 1). Ik spreek niet met jullie (zo richt hij zich tot het volk) over een “Utopia”. Ik verkoop u geen idee ver weg, een visionaire blauwdruk voor een ver verwijderde toekomst. “Het is niet in de hemel… en ook niet overzee” (v. 12-13).

Sommigen kunnen misschien de mening zijn toegedaan dat de Thora enkel door hen moet gelezen worden die een hemels leven lijden, die zeer vroom zijn en verwijderd zijn van alle dagelijkse werkelijkheden. Tot hen zegt Mozes over het woord van de Thora: “Het is niet in de hemel!” De geboden zijn bedoeld voor mensen die op de aarde leven, die gezond zijn, die niet geheel en al ondergedompeld zijn in hemelse strevingen, maar die een alledaags leven leiden.

Het woord van de Thora is evengoed voor het “aardse” Tel Aviv als voor het “hemelse” Bné' Barak . “Het is niet in de hemel”.

“Noch is het overzee”. Er zijn er die aannemen dat de voorgeschreven levensweg van de Thora noodzakelijk is voor de joden buiten het land. Dáár zou men bekommerd moeten zijn om assimilatie en desintegratie. Dezelfde mensen evenwel doen niets aan de joodse opvoeding in hun eigen omgeving of hebben de binnenkant van de synagoge gedurende jaren niet meer gezien. Tot deze mensen zegt Mozes: “noch is het overzee”. Thora is niet enkel voor hen die overzee leven.

De weg van jodendom en Thora is niet “veraf”, evenmin “in de hemel”, noch “overzee”, maar hier en nu. “Het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart, ge kunt het dus volbrengen” (v. 14). Velen zijn bereid om het woord van de Almachtige in hun mond te nemen of er lippendienst aan te bewijzen op bijeenkomsten en publieke vergaderingen. Ook beweren velen dat het goed is om “een goede jood te zijn in het hart”. Beiden bewijzen het jodendom een goede dienst, maar noch de mond-joden noch de hart-joden doen voldoende. Het werkelijke doel van de Thora is immers “dat ge het volbrengt”.

Het is de daad, de actie die telt en die de continuïteit van leven verzekert.

 

PARASHAT WAJÉLEECH

En hij ging (Deuteronomium 31:1 – 31:30)

Mozes' dood kwam geenszins onverwacht. Het was in geen enkel opzicht een verrassing.

De Almachtige maakte het Mozes duidelijk dat hij het land niet zou binnentreden. Hij moest het leiderschap aan zijn opvolger overdragen. Na een lang pleidooi, schikt Mozes zich uiteindelijk naar de G’ddelijke wil. In een uitvoerig betoog, dat nu het belangrijkste deel vormt van het boek Dvarim (Woorden of Deuteronomium), begint hij zijn volk voor te bereiden op het onvermijdelijke.

Teneinde de continuïteit te verzekeren en het leiderschap vredevol over te dragen zodat een machtsstrijd wordt vermeden, kiest Mozes op raad van de Almachtige – Jehoshoe'a als zijn opvolger. In een publieke ceremonie stelt hij Jehoshoe'a voor aan de priesters en aan de hele gemeente. Hij legt beide handen op zijn opvolger (Num. 27, 15-23). Het moeilijke moment van de machtsoverdracht moest echter nog komen.

Hoe zou Mozes op dat ogenblik voelen en handelen? Hoe zou het volk reageren? Zouden ze Mozes' jonge helper wel kunnen aanvaarden als hun nieuwe leider, na meer dan veertig jaar met Mozes, en nadat ze met hem zovele gedenkenswaardige momenten van vreugde, beproeving en tegenspoed hadden meegemaakt? En zou Jehoshoe'a zelf wel bereid zijn om vanachter de coulissen te komen in het spotlight van een leidende positie, nadat hij zovele jaren gewend was de tweede, zelfs de derde in rang te zijn na de hogepriester? Zou hij wel bereid zijn om op dit cruciale ogenblik in het leven van zijn volk deze taak op zich te nemen, nu ze op het punt staan hun bestemming te bereiken? Zou hij niet afgeschrikt worden door de grote verantwoordelijkheid, inherent aan het op zich nemen van de taak, waarvan het lot van de toekomst en het verleden van zijn volk afhing, en in zekere mate ook het lot van de mensheid? Als hij faalde, zouden al de verwezenlijkingen van Israël tot op dat ogenblik, de uittocht, de openbaring op Sinaï en de vorming van de natie ongedaan gemaakt worden.

Weliswaar had Jehoshoe'a een theoretische kennis van de taak van zijn grote en vereerde meester. Het was echter een heel andere uitdaging om thans deze taak over te nemen.

“En Mozes ging en sprak deze woorden tot heel Israël. En hij zei tot hen: Ik ben nu honderd twintig jaar oud; ik kan niet meer uitgaan of komen; en de Almachtige zei tot mij: Ge zult de Jordaan niet oversteken. De Almachtige, uw God, Hij zal vóór u uitgaan….. Jehoshoe'a, hij zal vóór u uitgaan …. ” (Deut. 31, 1-3).

Als Mozes zijn volk verzekert dat hij hen aan de goede zorgen van de Almachtige en Jehoshoe'a overlaat, horen we: “En Mozes ging en sprak”. Waar ging hij? De Schrift laat het open en vertelt ons niet waar hij ging. De commentaren echter verstrekken ons meer inlichtingen.

Dr. A. Cohen in zijn bemerkingen bij de Soncino Choemash schrijft in navolging van de commentaren van Ibn Ezra, Nachmanides en Sforno: “Nadat hij de hele gemeente heeft aangespoord en nadat de menigte was uiteengegaan, ging Mozes van stam tot stam om zijn naderende einde aan te kondigen, het volk te bemoedigen en hen aan te sporen dat ze hun vertrouwen in zijn opvolger zouden stellen”.

Op dit punt van zijn leven vraagt Mozes niet dat het volk tot hem z
ou komen om zijn boodschap te ontvangen zoals ze dat gewoon waren. Hij richtte zich ook niet tot de hele gemeente. Integendeel: hij bezocht ieder van hen individueel. Op intieme wijze en gedurende 'zo n lange periode begaan met zijn volk, voelde hij dat zijn afscheid meer vergde dan een publieke manifestatie. Tijdens zijn persoonlijke bezoeken kwamen oude herinneringen weer boven, zodat een dialoog van hart tot hart zich ontspon. Het was hartverwarmend voor het volk het privilege te genieten van een persoonlijk bezoek van de oude man zelf. Het was zeker niet gemakkelijk voor de bejaarde Mozes, maar hij moet het de moeite waard gevonden hebben. Zelfs in zijn laatste dagen spaarde de vriendelijke en bezorgde leider zichzelf niet wanneer het welzijn van zijn kudde op het spel stond.

Andere commentatoren (kli yaqar, 'al ha-Thora) leggen de zin “En Mozes ging” nog anders uit. Mozes zou rondgegaan zijn, op zijn gewone manier. Deze verklaring wordt gegeven om de uitspraak “Ik kan niet langer meer uitgaan of komen” kracht bij te zetten. Niettegenstaande zijn honderd twintig jaren “ging” Mozes om te bewijzen dat hij in staat was om zo gezwind en monter te wandelen als tevoren. Hij wenste hen mee te delen dat hij zich niet terugtrok omwille van een minder goede gezondheid. Hij kon niet langer meer “uitgaan en komen” omdat de Almachtige hem gezegd had: “Gij zult de Jordaan niet oversteken”. Zoals hij de wensen van de Almachtige ter harte nam, zo moesten ook zij dat doen. Ze moesten ervan overtuigd raken dat de Almachtige met hen zou zijn evenals met Jehoshoe'a, hun nieuw aangestelde leider.

Een minder vriendelijke commentaar op de zin “En Mozes ging” suggereert dat het volk niet meer bij Mozes kwam zodra het zich realiseerde dat de leider zich zou terugtrekken. Mozes moest zelf naar' hen gaan om zijn boodschap over te brengen. Zo behandelt het volk zijn leiders, zodra ze uit hun functie treden of op het punt staan dit te doen. AI degenen die Mozes hadden gevolgd zolang hij aan de top was, waren nu uit het gezichtsveld verdwenen. Ze waren vermoedelijk te druk met het leggen van contacten met de nieuwe administratie. Er bleef hen geen tijd over om Mozes te bezoeken. Ondanks dat hij op het punt stond uit zijn ambt te treden, had hij hen een en ander te vertellen. Zij waren er echter niet om naar hem te luisteren. Hij moest hen zelf opzoeken om met hen te spreken.

De boodschap van Mozes voor het volk en voor Jehoshoe'a bestaat uit twee delen. Vooreerst verzekert hij nogmaals dat geen leider onmisbaar is. Bijzonder omdat hij het niet persoonlijk was die al de grote en goede dingen verdiend had. Het waren de daden van de Almachtige die met hen zou blijven gaan. Tegelijkertijd wenst Mozes hun aandacht erop te vestigen dat het onvoldoende is om op de Almachtige alleen te rekenen wanneer ze het Land binnentrekken. Ze moeten niet passief afwachten tot de Almachtige het Land voor hen verovert. Ze moeten “sterk en moedig” zijn.

Deze aansporing om “sterk en moedig” te zijn wordt verscheidene malen herhaald. Hier (Deut. 31, 6.7) en in het boek Jehoshoe'a (1,6.7.18). Het schijnt de slogan te zijn tijdens de hele campagne van deverovering van het land.

Om het land Israël te beërven kan men niet enkel vertrouwen op de Almachtige. Men moet twee andere kwaliteiten bezitten: sterk zijn en moedig zijn. Het ene gaat niet zonder het andere. De sterkte van het leger, een grote hoeveelheid wapens, zelfs hoog gesofistikeerde oorlogsvliegtuigen doen het niet, als er niet ook moed aanwezig is en motivatie bij elke soldaat en elke bevelhebber. Aan de andere kant zijn motivatie en moed op zichzelf evenmin voldoende zonder een sterk, goed uitgerust en goed getraind leger.

Tot op de dag van vandaag blijft dit de centrale idee en het ideaal van Tsahal het Israëlische verdedigingsleger. De Israëlische soldaat legt de eed af in een bijzondere ceremonie welke plaatsvindt op een plek met historische associaties. Het gaat immers om een eedaflegging van hen die in het joodse leger dienen en het Land verdedigen, na bijna tweeduizend jaar van hulpeloosheid zonder verdediging. De westelijke muur in Jeruzalem en de rots van Massada zijn twee geschikte plaatsen voor de bedoelde ceremonie. Bij de plechtigheid zijn de familieleden en vrienden van de nieuwe rekruten aanwezig. Elke soldaat wordt bij zijn naam genoemd en krijgt een geweer en een Bijbel overhandigd. Het eerste voor de “sterkte”, het tweede voor de “moed”.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie