PARASHAT NITSAVIEM – WAJÉLEECH

Aangetreden – En hij ging (Deuteronomium 29:9 – 31:30)

Israël is een unieke natie in deze wereld. Het is gekroond (uitgekozen) met een kroon bestaande uit twee facetten, m.a.w een algemene en een specifieke.
De gehele natie is als het ware te beschouwen als één persoon; daarom verwijst de Thora naar het volk als nèfesh, persoon (enkelvoud) reeds in de tijd van de nakomelingen van Jacob toen zij afdaalden naar Egypte (Genesis. 46,26). De bijzonderheid ligt in het feit dat “kie chelèk hashem amò” “dat Zijn volk Israël een deel van G’D zelf is” (Deuteronomium. 32,9).
De rest van de mensheid was verdeeld in “zeventig naties,” elk met een vertegenwoordiger in de Celestische Regionen; Want de Eeuwige heeft jullie apart genomen, Hij heeft jullie uit Egypte gevoerd om voor Hem een volk als eigen bezit te zijn. (Deuteronomium. 4.19,20)
De lotsbeschikking van het Joodse Volk wordt niet bestemd door intermediairs zoals b.v. astrologie en andere natuurlijke tekens en fenomenen. De zeventig naties waren van elkaar gescheiden zoals we weten van Deuteronomium. 32,8: “Toen de Allerhoogste de volkeren een erfgoed aanwees, toen Hij de mensenkinderen van elkaar scheidde, stelde Hij voor de volkeren gebieden vast, naar het getal van Jisraëls kinderen.”
Het verwantschap (gemeenschappelijke kenmerk) tussen de “getallen” van Israël en dat van de naties van deze wereld, is dat Israël het getal zeventig vormde voordat zij afdaalden naar Egypte. Het verschil is alleen dat, de zeventig Israëlieten die naar Egypte kwamen werden beschreven als nèfesh, als één enkele persoon.
Elk deel van de Joodse natie staat in vergelijking tot de gehele natie. Omdat Israël een deel van G’D is, heeft het een eeuwige toekomst, zoals wordt benadrukt in de Talmoed, Sanhedrin 90: “Elke Israëliet heeft een aandeel in de Komende Wereld.”
In aanvulling tot deze gemeenschappelijke factor, welke iedere Israëliet met elkaar verbindt en tezamen één geheel vormt, is elke Israëliet een onmiskenbaar individu, wat duidelijk wordt door een verklaring van onze geleerden in Bamidbar Rabba 21,22, gebaseerd op Jasaja 4,5: “ieder rechtvaardig persoon is gebrandmerkt door het vuur dat door G’D is voorzien, als deel van de overhuiving die Hij verleent aan elk rechtvaardig persoon.”
Dit leert dat, ofschoon elke Israëliet een aandeel heeft in de Komende Wereld, iedereen afzonderlijk een eigen plaats bepaalt. Aangaande dit alles zegt Mozes in Deuteronomium. 32,12: “HaShem badaar janchènoe we één imo El néchar” “zo leidt de Eeuwige hem alleen, zonder een vreemde god naast Hem.” Het woord janchènoe in het vers staat in enkelvoud, (leidt hem, niet leidt ons) om aan te geven dat elke Israëliet een individuele eenheid is, een persoonlijkheid. Mozes continueert met: “Hij was niet vergezeld door andere krachten,” dit verwijst naar de sariem en mazalot, vertegenwoordigers in de Celestische Regionen en sterrenbeelden, die bepalend zijn in het leiden van de niet-Joodse bestemming. Geen enkele van deze krachten oefenen controle en invloed uit over het Joodse Volk.
De twee mitzwot in deze drie laatste parashot reflecteren direct aan dit denken.
Het feit dat de mitzwa van Hakel verlangt dat alle vrouwen van Israël en ook de kinderen samenkomen in het binnenhof van de Heilige Tempel om te luisteren naar de voorlezing van de Thora, is gefundeerd op het gegeven dat heel Israël wordt gezien als één enkel lichaam. Vervolgs instrueert de Thora nogmaals aan elke individuele Israëliet afzonderlijk, een kopie van de Thora voor zichzelf te schrijven.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie