PARASHAT MISHPATIEM

Rechtsregels (Exodus 21:1-24:18)

Toen Rabbi Zera, een vierde eeuwse Babylonische wijze, naar het land Israël opging, keek hij uit naar een veerboot om de rivier over te steken. In zijn brandend verlangen om in het land te komen, nam hij een touw dat over de rivier was gespannen en stak langs het touw de rivier over. Daarop sprak een niet-jood spottend tot hem:”'am'a pziz'a, jullie haastig volk die jullie mond voor jullie oren plaatsen”. De niet-jood in dit Talmoedische verhaal over de liefde van de rabbijnen voor Israël (Babylonische Talmoed, Ktoevot 112a) verwees volgens de Talmoed naar het vers in Ex. 24,7, waar de Israëlieten zeggen:”Alles wat de Almachtige zegt zullen we doen en we zullen er naar luisteren”. Ze engageerden zichzelf om te doen, zelfs voordat ze de gelegenheid kregen om te horen wat van hen werd gevergd.

Deze uitspraak van de Israëlieten welke voor een voorbijgaande niet-jood slechts haast uitdrukt waarmee hij de spot drijft, werd door vele generaties joden geprezen als een uitdrukking van het wezen van het joodse religieuze engagement. NA'ASE VENISHM'A, de twee Hebreeuwse woorden die staan voor “we zullen doen en we zullen luisteren” werden door een vroege rabbijn beschouwd als een “geheim van de dienstengelen”, op een mysterieuze wijze aan Israël onthuld (Babylonische Talmoed, Shabbat 88a).

Sommige moderne joodse filosofen namen deze twee woorden als bewijs ervoor dat het enige wat in het jodendom werkelijk telt het “doen”is. Jodendom, zo argumenteren ze, is geen filosofie, maar een “levensweg”. Het vergt van je vooreerst, “doen” en dan, als je wil, kan je ook “luisteren” naar wat het je te zeggen heeft. Het laatste deel, het “luisteren”, is niet belangrijk zolang men maar het eerste deel, het “doen”, uitvoert.

Betekent de volledige aanvaarding van de Thora dat we ons enkel of voornamelijk concentreren op het “doen” van wat de Thora verordent? Is de “Thora” te begrijpen als de wet zoals niet-joodse vertalingen onjuist weergeven, hierin de oude Griekse vertaling van de Thora in NOMOS volgend, of moeten we zeggen de de Thora “lering” betekent, wat niet enkel wetten – HALACHA – omvat welke moeten worden opgevolgd, maar ook HAGGADA, waarnaar moet worden geluisterd?

Elk authentiek joods antwoord op bovenstaande vragen zal moeten erkennen dat jodendom en HALACHA (“doen”) en HAGGADA (“luisteren”) betekent. Het gaat om twee zijden van hetzelfde muntstuk. Welke van de twee zijden komt het eerst? Representeert de uitspraak van NA'ASE VENISHM'A, waarin het doen aan het luisteren voorafgaat, noodzakelijk de ideale volgorde?

Terwijl we onze weg banen in de Schrift tot we aankomen bij de verklaring van het NA'ASE VENISHM'A, komen we een sensationele “Midrash” op het spoor, verborgen in de Thora zelf.

Het is twijfelachtig of een onvoorwaardelijke blinde onderwerping aan de discipline van het doen alleen werkelijk het verlangde ideaal was van het Sinaï-verbond.

Het verhaal van het verbond tussen de Almachtige en Israël op de berg Sinaï, bezegeld door Israëls aanvaarding van de Thora, ontvouwt zich als een drama in verschillende bedrijven. De uitspraak, “Wij zullen doen en we zullen luisteren” die we horen op het einde van het verhaal, is niet noodzakelijk het hoogtepunt van het verhaal maar wellicht een compromis in de stijl van: ER-IS-GEEN-KEUZE.

Bij het begin van het verhaal lezen we: “En Mozes ging de berg op naar de Almachtige” (Ex.19,3). Hier verneemt hij het gebod “Dit moet ge zeggen tot het huis van Jakob en doen weten aan de zonen van Israël… Als ge LUISTERT naar MIJN stem en MIJN verbond onderhoudt, dan zult ge MIJN geliefd bezit zijn onder alle volkeren” (Ex. 19,5).

Als een trouwe boodschapper vervult Mozes zijn zending. Hij spreekt tot de Israëlieten en zegt dat ze moeten luisteren naar de stem van de Almachtige.

“….En hij riep de oudsten van het volk bijeen en deelde hen al de woorden mee die de Almachtige hem had opgedragen”, namelijk dat de eerste vereiste is “als jullie luisteren naar Mijn stem”. Wat is het antwoord van het volk op deze boodschap?

“En het volk antwoordde eenstemmig: alles wat de Almachtige zegt zullen we doen”(Ex.19,8).

Ze worden door de Almachtige bevolen om “te luisteren”, maar ze antwoorden met “we zullen doen”. Ze willen blijkbaar niet betrokken worden in het “luisteren” omdat ze een godsdienst verkiezen die van hen daden vraagt, het “doen”, waarbij bevelen worden opgevolgd.

Ze argumenteerden zoals later Mozes Mendelssohn in de achttiende eeuw, Yeshayahoe Leibowitz en Spinoza, de moderne voorloper van deze ideeën, dat jodendom slechts een wet is, een “levensweg”, en niet een”gedachtenweg” met geloofsartikelen en meningen. Men moet hier voor ogen houden dat “luisteren” in het Hebreeuws niet enkel betekent luisteren met het oor, maar ook de klank heeft van verstaan, inzicht verkrijgen en verstandelijk begrijpen (zoals in “Shm'a Yisra'el” – Luister Israël, Deut. 6,5).

De getrouwe boodschapper Mozes begint niet met het volk te argumenteren. Helemaal in de stijl van de “pingpong-diplomatie” brengt hij de boodschap van het volk over. “En Mozes bracht het antwoord van het volk weer over aan de Almachtige” (Ex. 19,8). Aanvaardt de Almachtige hun antwoord?

“En de Almachtige sprak tot Mozes. Ik kom tot u in een dichte wolk zodat het volk Mij met u HOORT spreken” (Ex. 19,9).

Klaarblijkelijk is de Almachtige in dit stadium niet bereid om Zijn oorspronkelijke verordening terug te trekken dat naar Hem moeten “luisteren” en niet enkel “doen”. Toch matigt Hij enigszins de verordening. Van het volk wordt nu niet meer gevraagd dat ze zouden luisteren naar de Almachtige die rechtstreeks tot hen spreekt: ze moeten luisteren wanneer Hij met Mozes spreekt.

Slechts na het hoogtepunt van de theofanie, wanneer het volk getuige was van de “donder en bliksem, de dichte wolk boven de berg en het machtige bazuingeschal”, slechts nadat ze “beefden” van angst, samen met de rokende berg die “zeer beefde”, slechts dan – na de afkondiging van de “Tien Uitspraken” waren ze bereid om een compromis te sluiten tussen hun bereidheid om te “doen” en G'ds verordening om te “luisteren”.

Ze zeiden tot Mozes:

“Spreek JIJ met ons en wij zullen LUISTEREN. Maar laat de Almachtige niet met ons spreken, anders zullen wij sterven” (Ex. 20,19).

Thans waren ze bereid om te luisteren, maar alleen naar wat Mozes zei. Ze waren nog steeds bevreesd om zichzelf open te stellen voor de stem van de Almachtige. Ze bleven op een afstand en verkozen eerder gehoorzame soldaten te zijn die bevelen opvolgden dan nadenkende luisteraars. De Almachtige echter gaf het niet op en bleef Zijn volk verordenen om naderbij te komen en te luisteren.

Wanneer we het bijbelse verhaal van de openbaring volgen, horen we een reeks wetten betreffende de bescherming van het leven en de eigendom evenals wetten omtrent het voltrekken van rituele ceremonies. Zal het volk zich nu realiseren dat men moet beginnen met “luisteren” om te verstaan en om de wetten met hun impliciete bedoelingen op hun waarde te schatten? Wanneer het volledige boek aan hen wordt voorgelegd, lezen we:

“Eenstemmig betuigde het volk: alle woorden die de Almachtige tot ons gesproken heeft, zullen we volbrengen” (Ex. 24, 3).

Mozes zal echter niet opgeven tot hij van hen de belofte krijgt dat ze niet enkel zullen “doen”, maar ook “luisteren. En dan zeggen ze eindelijk: “Al wat de Almachtige heeft gezegd zullen we doen en we zullen luisteren” (Ex. 24, 7).

Slechts op het einde van een lange dramatische uiteenzetting, aanvaarden ze thans dat ze niet enkel zullen handelen , maar ook dat ze zullen luisteren terwijl ze handelen. Als resultaat daarvan volgen ze geen dode letter op, maar luisteren ze naar het woord van de levende G'd.

NA'ASE VENISHM'A, de
twee woorden die worden uitgesproken, zijn niet noodzakelijk twee gescheiden zaken die elkaar opvolgen zoals men uit de vertaling “we zullen doen en we zullen luisteren” zou kunnen besluiten. Ze zijn een en hetzelfde. De zin moet derhalve worden weergegeven als “we zullen doen en luisteren”: luisteren terwijl we doen, doen terwijl we luisteren.

Indien de Almachtige slechts blinde gehoorzaamheid zou hebben verlangd, dan zou HIJ robotten hebben geschapen en geen mensen waarin HIJ denkende geesten en gevoelige harten heeft geplant.

Geef een reactie