PARASHAT MISHPATIEM

Rechtsvoorschriften (Exodus 21:1 – 24:18)

Onze geleerden zeggen (Shemot Rabba 30,3): Dat de Thora (m.a.w. de Tien Geboden) is omringd door dieniem, rechtswetten. De Thora begint met dieniem zoals we lezen in Exodus 15,25: shaam saam lò chok oemishpat, daar gaf Hij hun wetten en voorschriften, en het eindigt met dieniem Exodus hoofdstuk 21:1, ( De letter wav voor de woorden wèeelè hamishpatiem, en dit zijn de rechtsvoorschriften, de beginwoorden van onze Parasha, worden beschouwd als een continuatie van de Tien Geboden).
Er zijn twee categorieën van Joods Recht. Één categorie geeft alleen de eigenschap van Recht weer en de andere categorie is een combinatie van de eigenschap van Recht en de eigenschap van Barmhartigheid.
Onze Rabbijnen hebben reeds eerder gezegd, dat G’D oorspronkelijk het plan had een universum te creëren dat uitsluitend berustte op Recht.
Echter, G’D zag dat z’n universum niet zou standhouden, vandaar dat Hij de eigenschap van Barmhartigheid er aan toevoegde (Bereshit Rabba 12,15).
Net zoals de eigenschap van barmhartigheid werd in geroepen bij het creëren van de mensheid, zo reflecteert zich de Thora zelf in bepaalde voorvallen strikt justitieel, en in andere gevallen gematigd justitieel door barmhartigheid.
Bijvoorbeeld: in aanmerking genomen dat mensen zich schuldig zouden hebben gemaakt aan delicten waarop de vier mogelijke uitvoeringen van doodstraf van toepassing zijn, staat daarvan in tegenstelling Exodus. 21,29, waarvan een eigenaar van een rund dat reeds eerder verschillende mensen herhaaldelijk heeft aangevallen met fatale gevolgen, de eigenaar, door nalatigheid de veroorzaker is, en dat zo iemand de doodstraf verdient. Rashi verklaart dat deze doodstraf alleen door een Hemels gerechtshof kan worden toegepast en niet door een menselijk gerechthof, m.a.w de eigenschap van Barmhartigheid is hier in betrokken.
Een vergelijkbaar geval is de verklaring in de Thora, “Een oog voor een oog”, “een tand voor een tand” ( Exodus.21,24) Dit is in de bijna vierduizend jarige traditie door de geleerden altijd uitgelegd als een financiële compensatie die betaald moest worden aan de persoon die zijn oog had verloren ( Baba Kama 84 ).
De reden dat de Thora zo’n harde taal gebruikt “ajin tachat ajin”, “een oog voor een oog” is om ons duidelijk te maken dat het beschadigen van iemands oog financieel vergoed dient te worden, omdat het onmogelijk is het te vergoeden met een nieuw oog.
Alleen omdat de eigenschap van barmhartigheid is gecoöpteerd, is financiële restitutie mogelijk, m.a.w. de schade die de persoon ondervindt, door het verlies van zijn oog.

Parashat mishpatiem begint met: Dit zijn de rechtsvoorschriften die je hun zult voorleggen.
Als je een Hebreeuwse slaaf koopt, zal hij zes jaren dienen en het zevende jaar gaat hij in vrijheid heen; niets betaalt hij.
Indien hij alleen in dienst komt, gaat hij alleen weg. Wanneer hij getrouwd is, dan gaat zijn vrouw met hem heen.
Indien zijn heer hem een vrouw geeft en deze hem zonen of dochters schenkt, dan blijft de vrouw met haar kinderen voor haar heer en gaat hij alleen heen.
Indien de slaaf uitdrukkelijk zegt: “Ik houd van mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen, ik wil niet vrij heen gaan”, dan zal zijn heer hem voor het gerecht brengen, hem dicht bij de deur of de deurpost plaatsen en zal zijn heer zijn oor doorboren met een priem; daarna zal hij hem altijd dienen.

De vraag is, hoe is dat mogelijk: een Joodse slaaf? Wanneer iemand bijvoorbeeld diefstal heeft gepleegd en daarbij zijn medemens schade heeft berokkend, fysiek en/of materieel, moet hij die schade vergoeden. Kan hij dat niet, dan moet hij arbeid verrichten als slaaf. Zijn koopsom gaat naar het slachtoffer, slachtofferhulp. Het dienen als slaaf mag niet langer duren dan zeven jaar.
Weigert hij, omdat hij het makkelijk, aangenaam vindt geen verantwoording, keuzes, vrijheid te nemen voor zichzelf, vrouw, kind, medemens, dan doet hij zijn taak als mens te niet. Vervolgens wordt hij bij de deurpost geplaatst, die verwijst naar de deurpost in Egypte, die besmeurd werd met het bloed van een lammetje, het Pesachoffer. Dit teken was een daad van enorme moed en verantwoording, want in Egypte werden veel dieren als goden beschouwd, er werd dus gods-schennis gepleegd voor het bewustzijn van de Egyptenaren. Maar het was ook een daad van vertrouwen in G’D als Bevrijder.
Vervolgens werd zijn oor doorboord. Dit betekent: het Joodse volk, Één miljoen mensen, stond aan de voet van de berg Sinai, ze hoorden en zagen G’D, en accepteerden al de mitswot van de Thora en namen die in volle vrijheid op zich.

G’D had Israël bevrijd van knechtschap om uitsluitend Hem te dienen.
We weten dat uit Leviticus 25,55, kie-lie bneé- jisraël awaadiem…..de Kinderen van Jisraël zijn dienaren van Mij, Mijn dienaren zijn het, die Ik uit het land van Egypte heb gevoerd, Ik, de Eeuwige jullie G’D.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie