PARASHAT METSORÁ

SHABBAT HAGADOL

De Grote Shabbat

De Shabbat vóór Pesach wordt om verschillende redenen Shabbat HaGadol genoemd en ook zijn er ‘n aantal zeer specifieke gebruiken die geassocieerd zijn met deze dag.

Het was in Egypte dat de Israëlieten de allereerste Shabbat HaGadol hielden, op de tiende dag van de maand Niesan, vijf dagen vóór hun verlossing. Op die dag is aan hun, de Israëlieten, de eerste mitswa ( opdracht ) gegeven, een mitswa welke alleen betrekking had op die Shabbat van die generatie en die niet van toepassing was op de komende generaties.

De Eeuwige zei tegen Mozes en Aharon in het land Egypte aldus:

“Deze maansvernieuwing geeft voor jullie de aanvang van de maanden van het jaar aan. De eerste van de maanden zal zij voor jullie zijn .

Spreek tot de gehele gemeente van Jisraël: Op de tiende van deze maand zullen zij zich ieder een lam nemen voor iedere familie, één lam voor ieder huisgezin.” ( Exodus 12 )

Deze mitswa, om het lam als Pesachoffer vier dagen vóór haar slachting voor te bereiden, had alleen betrekking op de eerste Pesach in Egypte, maar de Thora legde ons niet op om dit vier dagen voor elke toekomstige Pesach te doen.

Talrijke mirakels werden uitgevoerd voor de Israëlieten op deze Shabbat. Elk persoon nam een lam en bond het aan een bedpost.

De Egyptenaren, die deze handeling zagen, vroegen ‘Waarvoor is dit lam?’ en de Israëlieten antwoordden hen, ‘Wij slachten dit op gezag van G’D voor een Pesachoffer’ en de Egyptenaren welke het lam verafgoodden, knarsten hun tanden van woede, maar gaven geen kik. Vele andere wonderen vonden plaats in relatie met dit offer en daarvoor noemen wij deze dag Shabbat HaGadol omwille van de grote “mirakels”.

PARASHAT METSORÁ

‘Melaatse’ (Leviticus 14:1 – 15:33)

De tijd: het begin van de derde eeuw, rond het jaar tweehonderd twintig. De plaats: de drukke stad van Sepphoris in Opper-Galilea. De grote rabbijn Jannai zit in zijn studiekamer en verklaart de schriften.

Een luidruchtige stem van een marskramer zingt: “Wie wil het levenselixer kopen, het elixer van het leven”. Rabbi Jannai kijkt uit zijn venster, ziet een grote menigte rond de marskramer en vordert hem naar boven te komen en hem wat van het magische elixer te verkopen. De marskramer antwoordt: “Wat ik verkoop is niet voor jou, rabbi”.

Wanneer de rabbijn het hem uitdrukkelijk verzoekt, neemt de marskramer het boek van de Psalmen en wijst op het vers: “Wie is de persoon die leven wenst? Behoed uw tong voor kwaad”.

Rabbi Jannai, zo vervolgt de Midrash (Vayikra Rabba 16 waar het bovenstaand verhaal wordt verteld), zegt dan: heel mijn leven heb ik deze tekst gelezen, maar ik wist niet hoe hem te verklaren. Tot deze venter kwam en het me duidelijk maakte. Nu zie ik hoe dezelfde idee wordt uitgedrukt door koning Shlomo: “Hij die zijn mond en tong bewaakt, bewaakt zijn ziel voor moeilijkheden” (Spreuken 21, 23).

Als we ons de historische achtergrond van dit verhaal bewust worden, kunnen we aannemen dat het verhaal zelf niet zo onschuldig is als het op het eerste gezicht lijkt. Israël, en in het bijzonder Galilea, was in die tijd volop in beweging. Er waren revoltes en opstanden tegen de Romeinse overheersers. De Romeinse legionairs met hun spionnen en informanten waren voortdurend op zoek naar rebellen en vrijheidsstrijders.

De marskramer moet aan de bevolking van Sepphoris heimelijk de boodschap doorgegeven hebben dat ze moeten opletten als ze spreken over personen en zaken wat tot ondervraging zou kunnen leiden.

Rabbi Jannai, die zijn eigen bemerkingen toevoegt aan die van de straatventer, maakte bekend dat ook hij de geheime boodschap steunde welk werd overgebracht aan de bevolking van Sepphoris, namelijk: als je leven wenst, let dan op jullie tong.

De context waarin het verhaal wordt verteld is de uitlegging van de wetten op de melaatsheid in de Thora (Lev. 14, 1-15, 33). Slechts heel zelden suggereert de joodse gedachte een onmiddellijk verband tussen een bepaalde overtreding en diens specifieke goddelijke straf. Melaatsheid is de zeldzame uitzondering, omdat deze ziekte nauw verbonden wordt met de zonde die ze veroorzaakt, namelijk lashon ha-ra (kwaadsprekerij ). De term omvat zowel laster als achterklap, verklikking en alle andere vormen van schade die door woorden kunnen worden veroorzaakt aan het individu en de gemeenschap.

Mirjam die tegen Mozes spreekt achter zijn rug om, wordt prompt door melaatsheid bezocht (Num. 12, 1-16). Dit is één van de vele plaatsen geciteerd door de rabbijnen om het directe verband aan te duiden tussen enerzijds de persoon die zijn mond heimelijk opent en zijn verhalen fluistert in de veronderstelling dat niemand de bron van de achterklap zal ontdekken en anderzijds zijn rechtvaardig verdiende straf nl. melaatsheid, een ziekte die niet kan worden verborgen.

Het vers “Dit is de wet van de metsora [melaatsheid]” werd de vaste tekst voor talloze rabbijnse predikaties tegen de verspreiding van lashon ha-ra. Metsora, zo herhaalden ze telkens weer, klinkt zoals motsi-ra, namelijk iemand die kwaad verricht met zijn mond. De misdaad en zijn straf in één woord.

De joodse traditie ziet in de kwaadsprekerij een dodelijk wapen en spaart geen woorden om ze te veroordelen. De Talmoed stelt het spreken van lashon ha-ra gelijk met flagrant atheïsme, met overspel en moord. Inderdaad, lashon ha-ra is erger dan moord aangezien er tegelijkertijd drie personen worden vernietigd: degene die de achterklap vertelt, degene die ernaar luistert en degene waarover wordt gesproken. De profeet Jeremia (9, 7) zei: “hun tong is een dodelijke pijl, hun mond is vol bedrog. Ze begroeten elkaar vriendelijk, maar ondertussen belagen ze elkaar”. Moorden met een pijl is geniepig, het is gemener dan moorden met het zwaard. Lashon ha-ra is werkelijk moord met een pijl, waarbij boogschutter en slachtoffer elkaar niet in het gezicht zien.

De veroordeling van lashon ha-ra was sterk, maar de rabbijnen van de Talmoed wisten hoe moeilijk het was om het te voorkomen. “Er is nauwelijks een dag waarop we ervan gespaard blijven”, zo geven ze toe (Baba Batra 164b). Ze vermanen ons tegen de vele rationalisaties waarmee vernederende uitspraken door de vingers worden gezien met excuses als “Ik maakte enkel een grapje”, “Dit zal hem geen kwaad doen” of “Iedereen weet het toch al”.

Elke joodse moraliserende schrijver vermaande tegen de strikken van lashon ha-ra. Elke wetscodex onderstreepte de zwaarte van deze fout. In recente tijden echter was er één grote rabbijn die het tot zijn levensdoel maakte om de mensen te onderrichten over de gevaren van lashon ha-ra en hoe zich er van af te houden. Zijn naam was Rabbi Israël Mëir Hacohen Kagan, maar hij stond in de hele joodse wereld bekend als de Chafets Chayyim, naar de naam van het boek dat hij schreef. Met dezelfde naam wordt hij ook herdacht in de religieuze kibboets in het zuiden van Israël, de kibboets Chafets Chay-yim. De rabbijn ontleende de naam van zijn boek aan het vers ult de Psalmen (34, 13-14) “Wie is de man die leven wenst (mi ha-ish hé-chafets chayylm)? houdt uw tong ver van kwaad”.

Het hele boek houdt zich bezig met dit ene onderwerp en zet uiteen in welke mate kwaadsprekerij schade kan aanrichten.

Gepubliceerd in 1873, werd het werk gevolgd door vijf andere boeken door dezelfde auteur, handelend over hetzelfde onderwerp. In deze boeken somde de rabbijn niet minder dan eenendertig Thoraverboden op die een persoon overtreedt als hij zich met lashon ha-ra inlaat. Ook schetste hij honderden mogelijke scenario’s waarin een persoon de zonde van kwaadsprekerij kan begaan, soms helemaal onbewust van het feit dat er enig kwaad werd verricht. Één geval dat hij niet opsomde in zijn boeken, komt voor in een verhaal dat over hemzelf wordt verteld.

Op een dag, zo gaat het verhaal, reisde de Chafets Chayyim van de grote stad Warschau naar de kleine stad Radeen waar hij woonde. In de trein raakte hij in gesprek met de man naast hem die eveneens naar hetzelfde stadje reisde. Ik ga proberen, zo zei zijn medereiziger, een zegening te bekomen van de bekende heilige, de grote geleerde, de auteur van Chafets Chayyim. Rabbi Chafets Chayyim voelde zich eerder ongemakkelijk toen hij deze vleiende woorden hoorde en zei: “Ge vergist u wel degelijk. De persoon die ge gaat zien is noch een heilige, noch een geleerde”. Toen de andere deze woorden uit de mond van een onwetend en onbeschaamd persoon hoorde, ontstak hij in woede. Wat vermat zich deze kleine man in de kleding van een arme wel? Woedend gaf hij hem een slag in het gezicht. De wijze zweeg echter en reageerde niet. Toen de enthousiasteling enige tijd later aankwam in de stad, en zich op weg begaf naar het huis van de Chafets Chayyim, was hij niet weinig verbaasd daar juist die persoon aan te treffen die hij een kaakslag had toegediend. Hij viel hem te voet, begon te wenen en smeekte hem om vergeving. De Chafets Chayyim echter lachte hem goedhartig toe: je hoeft helemaal niet te vragen om mijn vergeving. Ik ben jou dank verschuldigd omdat je me een heel belangrijke les hebt gegeven over hetzelfde onderwerp waarmee ik mijn hele leven bezig ben geweest. Ik leerde van jou dat men zich niet enkel in acht moet nemen voor het belasteren van anderen, maar zelfs voor het belasteren van zichzelf. Ik maakte een vernederende uitspraak over mezelf, en werd er onmiddellijk voor gestraft. Dank u zeer”.

De Chafets Chayyim stierf in 1932 op de gezegende leeftijd van vijf en negentig jaar. Bijna tot het einde van zijn dagen reisde hij van stad tot stad, terwijl hij zijn boodschap verspreidde, overal waarschuwend tegen de kwaadsprekerij.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie