PARASHAT METSORÁ

‘Melaatse’ (Leviticus 14:1 – 1:33)

Parashat Metsora bespreekt de rituele onreinheid, opgelegd aan een vrouw in een staat van nidda.
Onze Wijzen leggen uit (Eroeviem 100b), dat deze onreinheid een gevolg was van G’D’s vloek na de Zonde van de Boom van de kennis van Goed en Kwaad.
Dit houdt in, dat de staat van nidda geen natuurlijk fenomeen is, maar een resultaat van een zonde, een zonde, zo ernstig zelfs, dat het wordt beschouwd als de bron van alle zonden. (Shabbat 146a; Zohar, Vol.1,52b)

Een betere appreciatie van dit concept kan bereikt worden door het begrijpen van de aard van G’ddelijke straf. Ten aanzien van de andere bestraffing, die de mensheid ondergaat vanwege de Zonde van de Boom van de kennis van Goed en Kwaad, onze verdrijving uit Gan Eden, was deze bestraffing niet alleen maar een boete voor de zonde, maar, zo als alle straffen van G’ddelijke manifestaties, een direct gevolg van de zonde zelf. De Tuin van Eden was een locatie welke op geen enkele wijze de existentie van kwaad kon dragen.
Door het eten van vruchten, van de Boom van de kennis van Goed en Kwaad, maakte Adam het kwaad een onderdeel van zijn eigen innerlijk, hij internaliseerde het kwaad. In deze staat kon hij niet langer in de Tuin blijven.
Het zelfde geldt ten aanzien van straffen van G’ddelijke manifestaties in het algemeen, er staat geschreven: “Je eigen slechtheid zal je tuchtigen “ (Jeremia,2:19), m.a.w het lijden wat de mensheid op zich laad is een natuurlijk gevolg van zonde.

Dit principe is ook van toepassing ten aanzien van de straf van Chava, de nidda staat. Deze straf is een direct gevolg van de Zonde van de Boom van de kennis van Goed en Kwaad. Het gecreëerde kwaad door de Zonde van de Boom van de kennis van Goed en Kwaad veroorzaakt bloed bij een vrouw, in de staat van nidda. Daarom wordt een vrouw ritueel onrein.

Het Joodse Volk is een “heilige natie” (Exodus. 19:6), en elk individu is in essentie absoluut goed. Dit geldt niet alleen voor de G’ddelijke ziel, maar ook met betrekking tot de dierlijke instinctmatige ziel. Van nature heeft de dierlijke ziel geen verlangen naar verboden dingen. Integendeel, het is van nature verbonden met verlangens die gericht zijn op wat is toegestaan. (Tanya, 8)

Desondanks, het feit dat kwaad lijfelijk existeert, is een teken dat er een gebrek is (een gebrek, dat is veroorzaakt door de Zonde van de Boom van de kennis van Goed en Kwaad). Daarom is de persoon onrein bevonden.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie