Parashat Matot

AW

Stammen (Numeri  30:2 – 32:43)

SHABBAT 21 JULI, 1 MENACHEM

Na een lang verblijf in de woestijn met talloze beproevingen en tegenspoed, staan de kinderen van Israel thans op het punt het land Israel binnen te trekken. Ze staan voor het land waarover ze zo vaak hebben gedroomd en waarvoor ze zoveel hebben geleden. Ze stappen in de richting van hun fel begeerde bestemming met vernieuwde kracht en een nieuw gevoel van eenheid na verschillende roemrijke overwinningen.

Het laatste dat we op een dergelijk ogenblik zouden verwachten, is een separatistische beweging. Maar dat is precies wat er gebeurt. Twee voorname stammen, de stammen van Re’oeve’n en Gad komen bij Mozes en drukken hun wens uit om in de streek te blijven die ze pas hebben veroverd en route naar het beloofde land.

Ze zeiden tot Mozes: “Laat ons niet over de jordaan trekken” (Num. 32, 5). Ze zeggen niet openlijk dat ze zich willen afscheiden van de rest van Israel die naar het land wil opgaan. Ze willen alleen maar vrijgesteld worden van de persoonlijke verplichting van ‘aliya.

De reden van dit onverwachte verzoek vernemen we bij het begin van het verhaal: “de kinderen van Re’oeve’n en de kinderen van Gad bezaten een grote kudde vee”. Ze hadden rijkdom geinvesteerd in de streek waarin ze zich ophielden en waren in te’ goede doen om ‘aliya ernstig te nemen.

Wanneer de kinderen van Re’oeve’n en Gad Mozes benaderen, spreken ze heel beleefd en nederig: ,Als we genade gevonden hebben in uw ogen, geef dan aan uw dienaren dit land in bezit”.

Mozes echter antwoordt hen onomwonden en gevat: “Zullen uw broeders ten strijde trekken terwijl jullie hier zitten?” (v. 6).

Deze woorden die misschien tot de meest strenge woorden in de Bijbel behoren, vonden duizend jaar later hun echo in een brief van Bar-Kochba aan het volk van ‘En-Gedi. De brief werd een tiental jaar geleden door Yigael Yadin opgegraven. Geschreven op papyrus, 9 op 19 cm, luidt de brief als volgt:

Van Shim’on Bar-Kosiva

aan de mannen van ‘En-Gedi

aan Masbala en Jehonatan Bar-Beajan, vrede.

Jullie zitten in komfort,

eten en drinken van de eigendom van het Huis van Israel, en bekommeren jullie in niets om jullie broeders.

De rest van de brief is niet bewaard, maar Yadin merkt op: “Hoe treffend en tragisch zijn deze woorden geschreven door de falende prins van Israel… Het is wellicht de sterkste aanduiding van Bar-Kochba’s wanhopige situatie op het einde van de opstand”. Een gesprek dat plaats vond tijdens de vergadering van het Zionist Executive Committee in Jerusalem, gedurende de moeilijke dagen van de bevrijdingsoorlog in 1947. Verklaarde toen de ervaren Amerikaanse leider rabbi Israel Goldstein dat de Amerikaanse en de Israelische joden partners waren in het gevecht voor de joodse staat welke men zou gaan oprichten. De partnerrelatie werd in het Hebreeuws aangeduid door damiem, wat zowel bloed als geld betekent. Wij Amerikaanse joden, zei Goldstein, stoppen damiem – geld – in de partnerrelatie. Jullie, Israelische joden, geven jullie damiem – bloed.

Rabbi Meir Bar-llan, de leider van de religieuze zionisten, stond op en diende rabbi Goldstein van antwoord: inderdaad, we zijn partners in het woord damiem, maar wat een verschil tussen de twee partners. Wanneer een Israelische jood zijn bloed voor zijn volk geeft, dan geeft hij het tot zijn laatste druppel. Is er een Amerikaanse jood die zou willen geven tot zijn laatste dollar? Wanneer daarenboven Israelische ouders hun kind naar de oorlog sturen, dan is dat een erg pijnlijk gebeuren voor hen. Is er een Amerikaanse jood die zou willen geven tot het hem pijn doet? 0 ja, zo besloot rabbi Meir Bar-Ilan op sarkastische toon, het gebeurt: er zijn er al die pijn beginnen te voelen voor ze hun eerste dollar geven…

We mogen aannemen dat Mozes er niet zozeer om bekommerd was dat de oorlog misschien niet zou gewonnen worden als de kinderen van Re’oeven en Gad niet aan de strijd zouden deelnemen. Hij geloofde dat het land zou worden veroverd in overeenstemming met de goddelijke belofte, hoeveel stammen ook aan de verovering zouden deelnemen.

Mozes was veeleer bekommerd om de ethische gevolgen van de terugtrekking van de twee stammen uit een oorlog die door heel Israel zou moeten worden gevoerd. De verovering van ‘Er’ets Jisraeel was niet enkel een zaak van hen die in het land wilden leven. In de ogen van Mozes vormde de verovering van het land het hoogtepunt in het drama van de verlossing dat door alle stammen die uit Egypte waren getrokken, zou worden voltrokken.

Mozes was ook begaan met het moreel van het volk dat wel eens zou kunnen beinvloed worden door de terugtrekking van Re’oeve’n en Gad. “Wilt u de Israelieten de moed ontnemen om over te steken

naar het land dat de Almachtige hen heeft geschonken?” (Num. 32,7).

Op scherpe wijze wees hij hen terecht en gebruikte hierbij woorden die hij zelfs niet in de mond

had genomen toen zij hun zwaarste zonden begingen – “een geslacht van zondaars” (Num. 32, 14), zo noemt hij hen. En met deze woorden brengt hij hen de zonde van hun vaderen in herinnering, de zonde van de verspieders van het land.

Mozes’ felle terechtwijzing bleef niet zonder resultaten. Toen ze terugkeerden, benaderden ze hem met de woorden: “We willen hier schaapskooien bouwen voor onze kudden en steden voor onze kinderen. Maar zelf zullen we gewapend uittrekken aan de spits van de Israelieten, tot wij hen op de plaats van hun bestemming hebben gebracht… We zullen niet naar huis terugkeren voordat ieder van de Israelieten zijn deel heeft ontvangen” (Num. 32, 16-18).

Slechts op deze voorwaarde was Mozes het ermee eens dat de stammen van Re’oeve’n en Gad zich zouden vestigen aan de andere kant van de Jordaan. Mozes had niets tegen joden die buiten het land leven. Hij was echter fel gekant tegen de ongelijke verdeling van de last en de verantwoordelijkheden van het gevecht voor het land over de stammen van Israel.

Toen de kinderen van Re’oeve’n en Gad aanboden om chaloetsiem (dit is de term die gebruikt wordt in de Hebreeuwse Bijbel en die werd overgedragen op de pioniers die zich in recente generaties in ‘Erets Jisraeel vestlgden) te worden in de verovering van het land samen met hun broers die zich daar permanent zouden vestigen, beschouwde Mozes hen als “zuiver voor de Almachtige en voor Israel” (v. 22).

Een zonde ,t.a.v. Israel” staat in de ogen van Mozes op hetzelfde niveau als een zonde ,t.a.v. de Almachtige”. Slechts wanneer Re’oeven en Gad

van beide zonden zuiver zijn door hun engagement om zich bij de rest van Israel aan te sluiten in cruciale gevechten, zullen zij de zegeningen van Mozes ontvangen om zich met hun kinderen en hun bezittingen buiten het land Israel te vestigen.

Volledige betrokkenheid op het leven van het land Israel is de enige garantie voor de bescherming van joodse rijkdom buiten Israel en zeker ook voor de gepaste opvoeding van joodse kinderen.


PARASHAT MAS`EE REIZEN NUMERI: 33:1 – 36:13

“En de Almachtige sprak tot Mozes: beveel de kinderen van Israel en zeg hen: wanneer je komt in het land Kanaan, dan is dit het land dat u ten erfdeel zal vallen” (Num. 34, 1-2). Wanneer ze het einde van de weg bereiken, wil de Almachtige hen doen weten dat “dit het land is” en geen ander.

Geen beloften meer van “melk en honing”, geen bedreigingen meer van het “buitengewoon sterke volk dat woont in het land” (Num. 13, 28), niet meer allerlei geruchten over het land. Op dit moment, de dag dat je uit de woestijn binnentrekt in het land, moet je de realiteit onder ogen zien met al haar problematische kanten en haar potentiele zegeningen. “Dit is het land”.

De opdracht om de realiteit recht in de ogen te kijken, is niet zo makkelijk als op het eerste gezicht lijkt. Vooral wanneer het gaat om de realiteit van het land. Het is voor de meeste mensen makkelijker om met vooropgezette ideeen te leven dan om de steeds veranderende werkelijkheid onder ogen te zien (de veranderende realiteit vergt immers dat men de bereidheid opbrengt om aan de persoonlijke ideologie veranderingen aan te brengen). Een dergelijke houding zou men nog kunnen begrijpen en zelfs door de vingers zien zolang iemand op weg is naar het land – deze houding is echter onvergeeflijk en eventueel schadelijk van het ogenblik af dat men het land betreedt om er te leven. Op dat moment is men gedwongen om de werkelijkheid te zien zoals ze is, zonder zichzelf een rad voor ogen te draaien.

Even schokkend in hun vlucht voor de realiteit waren zij die een volledig donker beeld van Israel verkozen als een schrikwekkende, korrupte, nare en diskriminerende plaats. Zowel zij die enkel de lichte zijde van het beeld zien als zii die enkel de donkere zijde ervan zien, weigeren om het gebod van de Almachtige op te volgen: “Wanneer je komt in het land… dan is dit het land”. Zie het zoals het is. Alleen zo kan iemand de beste diensten aan het land bewijzen, zonder dat er ook maar iets wordt afgedaan aan zijn liefde voor het land.

Voor de intocht in het land vermaant de Tora ons met de woorden van Mozes: “Ve-lo’ tachanifoe ‘et ha-‘arets” (Num. 35, 33), wat gewoonlijk vertaald wordt met: “Je zult het land niet verontreinigen”. Hierop volgt de vermaning: “Ve-lo’ tetame ‘e’t ha-‘arets” (v.34), “Ge zult het land niet ontwijden”. De juiste houding tegenover het land vereist dat iemand het niet vleiend afschildert in roze kleuren en dat hij het evenmin ontwijdt door het te zien als een duister monster. Veeleer zal men tot het inzicht komen, zonder zich iets wijs te maken, dat “dit het land”, het land Israel en de enige joodse staat is die we hebben. Dit is het land daags na het uittrekken uit de woestijn, met al zijn schaduwkanten en zijn vele lichtzijden.

Geef een reactie