PARASHAT LECH LECHA

Ga jij (Genesis 12:1 – 17:27)

“De Almachtige zei tot Avraham: trek weg uit uw land, uit uw stam en uw familie naar een land dat Ik u zal wijzen” (Gen. 12, 1). Pas nu begint het bijbelse verhaal voorgoed. Wat we tot hiertoe gelezen hebben was slechts een beschrijving van voorhistorische episodes in brede pennetrekken, een klaarmaken van het toneel waarop de hoofdfiguur zou gaan verschijnen. Maar zelfs als we bij Avraham zijn aangekomen, de held die we van nu af tot in het kleinste detail zullen gaan volgen, worden we in het ongewisse gelaten betreffende de eerste vijfenzeventig jaren van zijn leven. Er is slechts een minieme verwijzing (11,31) naar Avrahams familie nl. naar zijn vader Térach, die een tocht onderneemt naar het land Kanaän, maar daar nooit aankomt omdat hij zich in Charan vestigt. (Zijn zij de eerste noshrim, zoals de drop-outs onderweg naar Israël thans worden genoemd?) Het gedetailleerde bijbelverhaal start slechts met de Stem die zich rechtstreeks tot Avraham richt: verlaat uw land, uw familie, uw huis en ga naar een u nog niet bekend land, dat bestemd is om een centrale rol te spelen in het drama dat zich tussen de Almachtige en Israël zal gaan afspelen.

Wat we zonet schreven, werd door vele Bijbel-uitleggers genoteerd. Eén van hen, Prof. André Neher, trekt de aandacht op het feit dat de Hebreeuwse Bijbel ongeveer duizendvijfhonderd jaar later met dezelfde bemerking eindigt, namelijk dat men moet opgaan naar het beloofde land: “Wie ook onder u van heel Zijn volk – de Almachtige zijn God moge met hem zijn – laat hem opgaan” (2 Chron. 36, 23). Voor het volk van Israël is de immanentie van de Almachtige in deze wereld onlosmakelijk verbonden met het land. Als Avraham geroepen wordt om naar het land te gaan is dat zo betekenisvol, dat alles, wat zich tot op dat ogenblik in zijn leven heeft afgespeeld (en waarover joodse Midrashim en de Koran uitweiden), volkomen wordt genegeerd. Het gebeuren is van fundamenteel belang in het verdere verloop van het bijbelse verhaal.

In de woorden van een van de meest bekende moderne bijbelgeleerden, E. A. Speiser: “Het verhaal begint met het individu en breidt zich geleidelijk uit naar zijn familie, dan naar een volk en later naar een natie. Toch wordt het niet het verhaal van individuen of van een familie of van een volk als zodanig, maar veeleer van een gemeenschap die op zoek is naar een ideaal. Avrahams roeping markeert het werkelijke begin van de bijbelse gebeurtenissen.”

Speiser bemerkt verder (Anchor Bible, Genesis, p. 88) dat “Avrahams tocht naar het beloofde land derhalve geen routine-expeditie was van enige honderden mijlen. De tocht vormde integendeel het begin van een epische tocht op zoek naar spirituele waarheid, een zoektocht die het centrale thema zou gaan vormen van de hele bijbelse geschiedenis.”

We willen benadrukken dat het hier weliswaar gaat om een tocht “Op zoek naar spirituele waarheid”, maar dat deze tocht – althans in de joodse traditie – nooit werd gezien als een tocht in de louter spirituele zin van het woord, maar eerder als verbonden met een zeer “laag bij de grondse” gehechtheid aan een concreet land.

De Almachtige vertelde Avraham niet van bij de aanvang naar welk land hij zich moest begeven. Hoe wist Avraham dan dat hij zijn bestemming bereikt had?

Rabbi Levi, een Rabbijn uit de derde eeuw, geeft ons het antwoord in Midrash Rabba (39, 8): “Toen Avraham op reis was tussen Aram Naharaim en Aram Nachor en toen hij de inwoners zag eten, drinken en brassen, riep hij uit: Moge mijn deel niet in dit land zijn. Toen hij echter het voorgebergte van Tyrus bereikte en zag hoe iedereen zich bezighield met wieden en schoffelen op de gepaste tijd, riep hij uit: Moge mijn deel in dit land zijn! De Heilige, gezegend zij Zijn Naam, zei tot hem: aan uw zaad heb Ik dit land gegeven'[Gen. 15, 18].”

Sedertdien is voor het volk Israël “dit land” intens verbonden gebleven én met de spirituele én met de materiële dimensie.

Volgens de meeste joodse autoriteiten is de roeping van Avraham om naar het land te gaan van kracht tot op de dag van vandaag: de Stem richt zich tot elke jood en het opgaan naar het land is een religieus gebod. Nieuwkomers in het land moeten de realiteit van het dagelijkse leven onder ogen zien en het niet “ver-spiritualiseren” tot een mystiek beloofd land dat buiten menselijk bereik ligt.

Ook Avraham kende zoals zijn afstammeling van vandaag al de “havlei klita”, alle absorptiepijnen van een nieuwe olé. Niet zonder reden wordt Avrahams aliya naar het land beschouwd als de eerste van de tien beproevingen die hij te doorstaan had om gekwalificeerd te worden als de stichter van het volk van de Almachtige. Het was een beproeving, niet enkel omwille van de moeilijkheden van de reis zelf (als hij dezelfde route genomen had vandaag, dan zou hij niet minder dan vijf visums nodig gehad hebben: een Turks, een Syrisch, een Libanees, een Jordaans en een Israëlisch, wat hem talloze afspraken zou hebben bezorgd met meestal onvriendelijke en uiterst inefficiënte bureaucraten). Het was ook een beproeving omdat hij zich aan te passen had aan de levensvoorwaarden in het land die zo verschillend waren van die waaraan hij gewend was in zijn vroegere land.

In tegenstelling met het traditionele portret van de aartsvader Avraham als een nomadische schapenhoeder, hebben recente archeologische opgravingen in Ur van Chaldea, de stad waar Avraham vandaan kwam, ons een volledig ander beeld gegeven van het land en het ouderlijk huis dat onze vader bevolen werd te verlaten. Bij het begin van het tweede millennium vóór de gewone jaartelling – zo is nu uitgemaakt – was Ur “een machtige, voorspoedige, kleurrijke en drukke hoofdstad”. Van dit centrum van hoog ontwikkelde beschaving had Avraham zichzelf los te maken om de nieuwe modelgemeenschap te stichten in het land van belofte.

Térach, Avrahams vader, was zoals bekend vervaardiger van afgodsbeelden. Hij was een typische patricische huiseigenaar in Ur en zijn huis moet beantwoord hebben aan de volgende bijbels archeologische beschrijving:

“Een grote, twee verdiepingen tellende villa met dertien of veertien kamers. De benedenverdieping was stevig gebouwd met bakstenen. Voor de bovenverdieping werd leemsteen gebruikt. De muren waren mooi bedekt met plaaster en gekalkt… Een bezoeker kon via de deur een kleine inkomsthal binnenstappen waar een bekken stond om het stof van handen en voeten af te wassen. Hij ging dan verder naar de binnenplaats, welke aantrekkelijk geplaveid was, waaromheen de ontvangstkamer, de keuken, de leefkamers, de privé kamers en de huiskapel waren gegroepeerd. Via een stenen trap die een wc verborg, kon de bezoeker een galerij bereiken waarop de gast kamers uitkwamen, evenals de kamers die behoorden tot de leden van de familie.”

Vanuit een dergelijke situatie verhuizen naar een tent in Beërsheva of Chévron, vergde een enorm aanpassingsvermogen. Het betekende de onbegrensde mogelijkheden van een cultureel leven in de grote stad opgeven, om uren in een oelpan door te brengen en betrokken te raken in het gecompliceerde religieuze leven van het nieuwe land.

Naar het beloofde land gaan was zeker geen pleziertocht voor Avraham, maar we kunnen aannemen dat hij er niet zwaar aan tilde en zich niet te klaagde omdat hij zich bewust was “weg te trekken uit het huis van zijn vader om te gaan naar het huis van zijn vader in de hemel welke alleen in het land Israël kon worden bereikt” (Midrash, Thora Schlema 12, 35).

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie