PARASHAT LECH LECHA

Ga jij (Genesis. 12:1 – 17:27)

AVRAHAM’S BESNIJDENIS

Avram was negenennegentig jaar toen de Eeuwige Avram verscheen…(Genesis. 17:1)

Dit vers verlangt nader onderzoek, want het vertoont enkele problemen. Namelijk, had de Eeuwige zichzelf, tot nu toe, niet geopenbaard aan Avraham? Openbaarde G’D zichzelf alleen aan Avraham toen hij deze leeftijd bereikte?

Eerder staat geschreven: “De Eeuwige zei tot Avram”(12:1), “En de Eeuwige sprak tot Avram”(13:14), “En Hij zei tegen Avram, ‘Weet’..”(15:13), enz! Echter, nu dat het vers een specifieke leeftijd noemt en verklaart dat G’D verscheen aan Avram, impliceert dat G’D aan hem alleen verscheen toen Avram negenennegentig jaar werd.

Aangezien de woorden ”En G’D verscheen aan Avram” niet worden genoemd aan het begin van de zin, zoals bijna overal anders, maar in het midden van de zin, na de vermelding van zijn leeftijd, duidt dit aan dat Avram’s leeftijd de reden was dat G’D zich aan hem openbaarde. Daaruit blijkt dat G’D tot nu toe niet aan hem was verschenen….Hoe dan ook, leren wij hier: zolang hij niet was besneden verscheen de Eeuwige niet volledig aan hem. Nu verschijnt Hij aan hem omdat Hij aan hem de kroon van heiligheid, de besnijdenis, wenst kenbaar te maken, en bovendien wil de Eeuwige uit hem laten voortkomen het “heilige zaad” [Jitschak].

Hoewel heiligheid niet verblijft op een persoon zolang hij onbesneden is, nu dat hij negenennegentig jaar was en spoedig een heilige nakomeling zou voortbrengen, wilde G’D dat Avram heilig zou zijn, dus vóórdat hij een heilige nakomeling zou voortbrengen.

Zohar I, 95a

En G’D sprak met hem. “Wat Mij betreft, ziehier Mijn verbond met jou, je zult tot vader van een menigte volkeren worden. Niet meer zul je Avram genoemd worden, maar Avraham zal je naam zijn, want tot vader van menigte volkeren heb ik je bestemd. (Genesis. 17:4-5)

Rabbi Abba zei, “Kom en zie. Nadat Avraham was besneden en hij niet langer een arel was, (iemand met een voorhuid) betrad hij het heilige verbond, werd gekroond met heiligheid en opgenomen in de fundatie waarop de wereld berust m.a.w. hij werd een rechtvaardig persoon door wiens verdienste de gehele wereld blijft voortbestaan, zoals in het vers, “Een rechtvaardige is de fundatie van de Wereld”. (Spreuken 10:25).

Toen was de wereld door zijn verdienste gedragen, zoals staat geschreven “Was het niet voor Mijn verbond (het verbond van de besnijdenis), zou Ik niet dag en nacht en de wetten van hemel en aarde hebben gevestigd”. (Jeremia 33:25) Om die reden, m.b.t de schepping staat geschreven “Dit zijn de gevolgen van hemel en aarde toen zij werden geschapen (Behibraám)”. (Genesis 2:4). Het woord Behibraám, in het hebreeuws, heeft de identieke letters als Beavraham “met Avraham”, want de wereld werd ondersteund door zijn verdienste.

Richt je levenswandel naar Mij en wees onberispelijk [tamim]. (Genesis 17:1)

Avraham wordt “Mijn beminde”genoemd (Jesaja 41:8), want hij illustreert de eigenschappen van liefde en vriendelijkheid.

De tweede mitswa (in de introductie van Zohar rangschikt en discussieert Rabbi Shimon de 613 opdrachten. De eerste mitswa is ontzag of vrees voor G’D, de tweede, liefde voor G’D.) welke met de vrees voor G’D is verenigt en van welke het nooit kan worden gesepareerd, is de mitswa van het liefhebben van G’D. (Ergens anders verklaart de Zohar dat liefde en ontzag voor G’D onafscheidelijk zijn, want zij zijn vergelijkbaar met twee vleugels van een vogel. De vogel kan niet hoog vliegen met een vleugel. Tikkoenei Zohar p.82b ) Een persoon zou G’D lief moeten hebben met absolute liefde welke wordt genoemd “oneindig, onbegrensd” (in literaire zin “grote liefde”).

Aangaande dit zei G’D tot Avraham, “Richt je levenswandel naar Mij en wees tamin” wat betekent perfect of onberispelijk. Na de vervulling van de mitswa van de besnijdenis bereikte Avraham het niveau van absoluut perfecte liefde. Betreffende dit is er geschreven “En G’D zei,’ Er zij licht’”. (Genesis 1:3)

Deze absolute liefde, genoemd, “oneindige, onbegrensde liefde” is een mitswa dat een persoon zijn Meester volkomen zal lief hebben. Er zijn twee wijze van liefde, voorwaardelijke en onvoorwaardelijke liefde.

Het eerstgenoemde is een respons aan de goedheid met welke G’D de persoon begiftigt. Dit was de aard van liefde welke Noach had voor G’D. Het was een direct gevolg op de goedheid en vriendelijkheid waarmee G’D hem overstelpte. Aangaande dit verklaart de Thora,”Noach richtte zijn levenswandel met G’D” (Genesis 6:9) m.a.w. met G’D’s hulp. (Bereishiet Rabba 30. zie ook Rashi op dit vers.) Deze liefde wordt beschouwd als incompleet en voorwaardelijk, want het hangt af van G’D’s vertoon van edelmoedigheid.

Avraham’s liefde voor G’D daarentegen was niet een gevolg van G’D’s liefdadigheid. Het was een complete en onvoorwaardelijke liefde. Dienovereenkomstig verklaart het vers, “Richt je levenswandel naar Mij [zonder Mijn hulp] en wees onberispelijk [in de liefde voor Mij.”

Zohar I, 11b

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie