PARASHAT KI TIESSÁ

Wanneer je opneemt, Exodus 30:11 – 34:35

De Haftara** van deze week ( Koningen I,18, 1-39) verhaalt van de fameuze confrontatie tussen de profeet Elijahoe ( Elia ) en de “profeten” van Ba’al. Al waren de beschuldigingen van Elijahoe meer gericht tegen het joodse volk om haar besluiteloosheid, dan tegen de profeten van afgoderij. De uitdaging waarmee hij hen confronteerde lag in de vraag:“Hoelang nog zullen jullie weifelen tussen twee gedachten?”

Waarom richtte hij zich meer tegen de genen met verdeelde loyaliteit, dan tegen diegenen die duidelijk vijandig stonden ten aanzien van Judaisme? De verhandeling onderzoekt de twee zonden van weifelen en afgoderij en toont aan de verraderlijk omvang die weifelen teweeg kan brengen ten aanzien van religieuze waarden en de vormen die het kan aannemen in moderne samenlevingen.

**Supplementairgedeelte van de Profeten gelezen op Shabbat, Feestdagen en Vastendagen na het lezen van de Thora.

 

1. DE UITDAGING

De Haftora behorend bij de Thoralezing van deze week bevat een beschrijving van de Profeet Elia’s respons over een zorgelijke periode in de Joodse historie, een situatie voortgebracht, zoals meestal, door geestelijke verwarring en ideologische vaagheid. Zijn daad was het bijeen roepen van de profeten van Baal en het Joodse volk om hen te vragen,“Hoelang nog zullen jullie weifelen tussen twee gedachten?” ( Koningen 1, 18,21 )

Waarom echter, legde hij hen deze uitdaging voor? Het zou logischer geweest zijn hen te confronteren met de vraag:“Hoelang nog wil je Baal aanbidden?” De tijd is gekomen om te stoppen en te zeggen: “DE EEUWIGE HIJ IS GOD, DE EEUWIGE HIJ IS GOD”. ( Ibid vers. 39 )

Om Elijahoe’s intentie’s te kunnen begrijpen moeten we als eerste beginnen met het analyseren van het verschil tussen afgoderij en weifelen.

2. DE WORTELS VAN AFGODERIJ

Het feit dat een Jood zich wendt tot afgoderij is onbegrijpelijk. Joden worden vereenzelvigd met “gelovigen, de kinderen van gelovigen”.

Hun natuurlijke aard verhindert de mogelijkheid van een kwade ontkenning van G’D.

De Rambam ( Maimonides ) ( Hilchot Awoda Zara, Accoem 1,1. ) schrijft de oorsprong van afgoderij toe aan het feit dat de creatieve energie waarmee G’D het universum draagt gekanaliseerd wordt door natuurlijke krachten, de sterren en de planeten. Afgoderij begint wanneer deze intermediaire elementen op zichzelf worden vereerd, als heersers van de menselijke bestemming;

terwijl zij eigenlijk alleen maar instrumenten zijn van G’D, zonder enige eigen macht. Zij zijn als een “aks in de hand van de houwer”.

Chassidoet definieert de planetaire inwerking als het verschil tussen een vader en een moeder. Beiden schijnen de oorzakelijke grond te zijn van onze existentie. En toch is iemand opgelegd om zijn ouders te eren en verboden de sterren te vereren. De reden is dat een moeder en een vader een vrije wil hebben. In het opvoeden van hun kinderen dragen zij verantwoording vandaar dat zij worden geëerd. Maar de planeten en hun bewegingen zijn vastgelegd. Zij hebben geen vrije wil. Onze dankbaarheid behoort niet aan hun toe maar aan HEM die ze creëert heeft. Daarom is afgoderij, het nemen van een intermediair, een weg dwaling van de bron.

Het is een van de ergste zonden, zo erg zelfs dat de Talmoed verklaard:

“Afgoderij is zo een erge zonde, dat het verwerpen er van gelijk staat aan iemand die compleet toegewijd is aan de hele Thora.” ( Nedariem,25a ) Het impuls tot afgoderij is, dat volgens deze verkeerde conceptie, iemands materiële staat verhoogt wordt door de natuurlijke krachten gunstig te stemmen. Dat impliceert dat afgoderij altijd heimelijken motieven behelst. Daarom kan een Jood daartoe worden verleid. Hij is niet toegewijd tot afgoderij als zodanig. Hij gebruikt het op een wijze om zijn eigen belangen te dienen. Daarentegen wanneer hij G’D dient doet hij dit “zonder enige conditie voor beloning” ( Pirké Awot 1,3. ) maar in ZIJN belang en met een onverdeeld hart. Het verlangen om materiële beloning is de basis voor de verering van Baal en we zien de afgodendienaars zeggen tot Jeremia: “Sinds het stoppen van het branden van wierrook ( voor afgoden )….. hebben wij aan alles gebrek en worden we verzwolgen door het zwaard en verteerd door hongersnood.” ( Jeremia 44, 18 ).

3. DE AARD VAN WEIFELEN

In de zin van het meeste voordeel.

Ondanks deze algemene karakterisering van verering van afgoden, met de bedoeling om de natuurlijke krachten te invloeden, is er een verschil tussen puur afgoderij en “Weifelen tussen twee gedachten”

Afgoderij brengt met zich mee het oprechte geloof dat de objecten van verering, de sterren en de planeten, de bronnen zijn van materiële welvaart. Maar de persoon die weifelt is in een staat van twijfel. Tijdelijke onaangename gevoelens overvallen hem dat afgoderij weleens gebaseerd zou kunnen zijn op illusie. Of dat G’D en de natuurkrachten een partnerschap hebben gevormd. Hij gelooft in beide en dat beiden aanbeden moeten worden. Echter, afgoderij zelfs in deze stille vorm en handelend zonder innerlijke toewijding, is een extreem grote zonde.

Van nature is het zelfs zo dat de Jood bereid is eerder zijn leven te geven dan zich ermee te participeren. ( Tanya, Deel 1, hfst.19 )

4. NIVEAUS VAN VERRAAD

In bepaalde gevallen is weifelen erger dan pure afgoderij. In zijn geheel is de handeling van afgoderij zwaarder. Het vereist de absolute ontkenning van G’D, het tegenovergestelde van Jodendom.

Maar het is moeilijker voor de weifelaar om ooit terug te keren naar Judaisme of zijn ommekeer oprecht en compleet te laten zijn.

Daar zijn twee redenen voor; ten eerste, wanneer de pure gelovige van afgoden tot inzicht komt dat de “De Eeuwige, Hij is G’D”, gerealiseerd hij zich de omvang waarop zijn foutief vorig leven was gebaseerd. Hij ervaart de gehele omvang van de zonde. Zijn berouw is diep. “Hij keert terug en is genezen” Maar de weifelaar ziet het niet zo. Hij rechtvaardigt zich zelf. Hij zegt: Ik ontkende niet, ik twijfelde alleen. En mijn twijfel was oppervlakkig. In realiteit was ik, zoals alle andere joden, een gelovige. Zijn excuus beschermt hem voor wroeging en zijn terugkeer naar geloof is incompleet. ( Shoelchan Aroech, Orach Chaim hfst.603 )

Ten tweede, ofschoon de gelovige afgodendienaar zich schuldig maakt aan een massieve beoordelingsfout door Baal in de plaats te stellen van G’D, staat hij niettemin open voor een bepaalde vorm van spiritualiteit.

Maar de persoon die zweeft tussen twee opinies heeft zichzelf totaal gedistantieerd van het spirituele. Ofschoon hij weet dat “De Eeuwig, Hij is G’D” is hij gewillig om HEM te verloochenen voor materieel gewin. Hij is bereid om “het fontein van levend water”te verruilen voor “gebroken kruiken die geen water kunnen vast houden”( Jeremia 2, 13 ).

Aldus, Wanneer zij hun misstap realiseren, zal hun respons verschillend zijn. De afgodendienaar, nog steeds ontvankelijk voor spiritualiteit, zal van zijn terugkeer een spirituele daad maken. Maar de weifelaar zal terugkeren om de verkeerde reden. Hij wilde materieel voordeel. Hij maakte een beoordelingsfout door te denken dat de natuurkrachten in staat waren om dit te verwezenlijken. Hij keert dus terug naar G’D, maar nog altijd alleen met het streven naar materiele gewin.

5. HIJ ZELF EN ANDEREN

Tot nu toe hebben we alleen gesproken over de individueel. Want in nog een ander opzicht is weifelen erger dan afgoderij, het heeft een effect op anderen. De afgodendienaar zal de gelovige Jood niet beïnvloeden omdat zijn antagonisme tegen waargeloof duidelijk is, en hem isoleert.

Maar de persoon die zweeft tussen twee opinies, is in feite, nog steeds een gelovige. Hij is in staat om anderen op het verkeerde pad te brengen, en de handeling van “velen tot zonden te brengen” is de ergste zonde.

6. VERDEELDE LOYALITEIT EN HET HEDEN

De Talmoed zegt ( Joma 69b ) dat de drijvende kracht van “de Kwade neiging” met betrekking tot afgoderij enigszins verwijderd is. Maar de tendens naar weifelen, hetzij in open of subtiele vorm, heden ten dage sterker.

Er zijn er die tijdelijk afstand nemen van Thora en Mitswot voor het heil van de materiele beloning: geld, eer of maatschappelijke status. Zij zetten G’D en de regels voor een tijdje opzij om zicht vervolgens met meer modernere zaken bezig te houden. Zij volgen de hedendaagse grondregels van de wereld, regels met compromissen, het verlaten van tradities, en daarvoor in de plaats de ongrijpbare “geest van de tijd”.En zij zijn bereidt om G’D en hun ziel tijdelijk voor geld te verkopen,welk vervolgens weer weg vloeit naar dokters en psychiaters. Deze weifeling, deze tweegedachten, zoals we hebben gezien, zijn erger dan afgoderij.

A.

Het is zeer moeilijk om oprecht tot inkeer te komen, omdat het verdeelde verstand voor zich zelf verbergt , dat het gezondigd heeft. Hij gerechtvaardigt zichzelf. Hij overtuigt zichzelf in vele opzichten dat hij een goede Jood is. Wat is er zo verkeert aan, zegt hij tot zichzelf, dat een paar regels moeten wijken voor goed inkomen?

B.

Zijn integriteit is weg. Hij heeft de geest verkocht voor de materiële wereld. Hij heeft de eeuwigheid verhandeld voor het voorbijgaande. Hij heeft de Komende Wereld verruilt voor glitter en geld en de schaduw van eer.

C.

Hij betrekt anderen in zijn zonde. Als hij openlijk het jodendom zou verwerpen zou hij gescheiden zijn van het Joodse milieu. Maar hij verbergt zijn oppositie achter een masker van loyaliteit. Hij citeert Thora als verdediging. Hij infiltreert de gemeenschap en leidt anderen tot dwaling.

7. DE WEG TERUG

Dit is de betekenis van de Haftora. De primaire uitdaging van de Jood is “Hoelang blijf je weifelen tussen twee opinies”? Zitten op het hek is erger dan overgaan naar de andere zijde.

Aan het einde van de Haftora lezen we dat de Joden tot inkeer komen en twee maal zeggen, “De Eeuwige, Hij is G’D. De Eeuwige, Hij is G’D.” Dit ging zelfs uit boven het moment van openbaring op de Sinaï, toen werd het namelijk maar éénmaal gezegd, “Ik ben de Eeuwige, je G’D.” ( Likkoeté Thora, Devariem, 65c ) Want inkeer brengt de Jood naar een hoger spiritueel niveau dan voor hij zondigde.

Dit is de duidelijke onuitgesproken suggestie voor vandaag. Het is nodig om terug te keren en te reiken naar de hoogten van de geest. Alle Joden zijn onderling verbonden. ( Talmoed B. Sanhedrin 27b; shewoe’ot, 39a ) En het licht van diegene die terugkeren zal zich uitstrekken naar die wie hun bracht tot zonde. Zij zullen beantwoord worden door een G’ddelijk responsorium van medelijden en barmhartigheid.En leiders en volgelingen zullen tezamen opgenomen worden in een collectief moment van terugkeer en in een verenigde stem proclameren,

“DE EEUWIGE, HIJ IS G’D. DE EEUWIGE, HIJ IS G’D.”

Geef een reactie