PARASHAT KI TIESSÁ

Wanneer je opneemt    Exodus. 30:11 – 34:35


RABBI SHIMON BAR JOCHAI


ZOHAR Ki Kiessá

De Eeuwige zei tegen Mozes: “Als je het totaal van de Kinderen van Israël wilt opnemen door hen te tellen, zal ieder een losgeld geven voor zijn ziel, ter ere van de Eeuwige, opdat geen ramp hen zal treffen doordat men hen telt.“ (Exodus. 30:11-12)

We worden eraan herinnerd dat Hemelse zegeningen niet aan iets bijdragen dat is geteld of genummerd en toch werden de Kinderen van Israël onderworpen aan een volkstelling. Niettemin werd Israel gezegend omdat zij waren vrijgekocht.

Rabbi Aba, Rabbi Acha en Rabbi Yosi waren reizende van Tiberias naar Tzipori. Tijdens de reis zagen zij Rabbi Elazar komen met Rabbi Chiya. Rabbi Aba zei: we zullen zeker verenigd worden met de Shechina. Zij wachtten totdat zijn hen bereikten. Zodra zij bij hen waren, zei Rabbi Elazar: zeker is geschreven: “De ogen van HaShem zijn op de rechtvaardigen gericht en Zijn oren staan open voor hun noden.” (Psalmen. 34:16) (Het einde van dit onderwerp is in het gedeelte van pekoedei, para. 68f).

Kom en zie: het is bewezen en vastgesteld dat Hemelse zegeningen niet verblijven op iets dat is genummerd. En als je vraagt hoe Israël werd geteld, Hij nam van hen een losgeld voor Zichzelf. En zij telden niet totdat al het losgeld was verzameld. Dus in het begin was Israël gezegend toen het losgeld werd ontvangen, naderhand, toen zijn het losgeld hadden geteld, werden zij opnieuw gezegend. Zo vinden we dat Israël werd gezegend aan het begin en aan het einde en zij niet te lijden hadden van een of andere plaag.

Hij vraagt: Waarom wordt er een plaag teweeg gebracht door telling? Hij antwoordt: Omdat de zegening niet verblijft op iets dat is geteld en aangezien de zegen is vertrokken, verblijft de Andere Zijde daar op en kan schade aanbrengen. Daarom ontvangen we losgeld en bevrijden het om zodoende de telling te kunnen verrichten.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie