PARASHAT KI TIESSÀ

Wanneer je opneemt (Exodus 30:11 – 34:35)

We weten van Deuteronomium. 4,4: “we-atem ha’deweekiem baHaShem Elohéchem chajiem koelchem hajom” “En jullie, die vastgehouden hebben aan de Eeuwige, jullie G’D, jullie zijn vandaag allemaal in leven.”
Dat G’D ons heeft gekozen uit alle andere volkeren en ons heeft verheven boven alle andere talen ( heiligheid van hebreeuws), m.a.w Hij bracht ons dichtbij Zijn grote Naam, wat een van de diepste mysteries van de Thora is. Dit is de ware betekenis van “torat HaShem temima,” dat G’D’s Thora perfect is. Onze dewékoeti – vasthoudendheid, trouw, devotie – aan G’D vind zijn weergave in het uitvoeren van de geboden en verboden zoals die zijn aangegeven in de Thora. Als we de Thoravoorschriften vervullen fungeren wij als G’D’s troon en eren Hem. Vanwege onze zonden, ongelukkigerwijs, zijn we verbannen en de naam van G’D is niet langer “een geheel,” zoals onze geleerden ons hebben gezegd.
Het thema dewékoet m.b.t de Onuitsprekelijke Naam kan van twee verschillende kanten benaderd worden. De eerste wijze van benadering is, het onder de aandacht brengen, hoe G’D Zijn Onuitsprekelijke Naam aanwendde om actief te zijn in de Sefirot welke binjan – opbouw in werking stelt, m.a.w het werk van de zes scheppingdagen beginnend bij de Sefira Tiferet “beneden” op naar en tot en met malchoet, de zevende Sefira, de Shabbat.
De andere zienswijze van de dewékoet, welke existeert tussen Israël en G’D als de Onuitsprekelijke Naam, heeft te maken met hoe de Kabbalisten de breedte zien van de letters in deze Naam als een verwijzing naar de “vier cubits” welke een rol spelen in het draagverbod in een openbaar gebied op Shabbat, en de “tien handbreedten” welke een zelfde rol spelen in de definitie van wat een privé-gebied vormt op Shabbat. Het cijfer tien is aanwezig in de Onuitsprekelijke Naam wanneer de letters bij hun naam gespeld worden, zodat dan het totaal aantal letters in de Onuitsprekelijke Naam, 10 worden, j=joet, h=hé w= wav h=hé. De letter joet is het cijfer 10 en is een verwijzing naar de 10 Sefirot *** welke G’D in Zijn essentie aanwendt om te relateren met een fysiek universum.
We hebben reeds eerder uitvoerig Israëls verhouding met het Tabernakel aangegeven, we kunnen hier nu Israëls specifieke verhouding met de Sabbatwetgeving aantoevoegen. Aangezien dat Tabernakel een herbepaling was van de scheppingswerken en Israël, als de voerder van de merkawa – voertuig, nauw verstrengeld was met de vertegenwoordigende krachten in de constructie van het Tabernakel. Het is voor ons nu begrijpelijker waarom de 39 hoofd-werkzaamheden die verboden zijn op Shabbat, degenen zijn die zijn aangewend in de constructie van het Tabernakel.
In deze parasha werden Betzalel en de andere goddelijk geïnspireerde handwerksmannen, geboden om de Shabbatregels in acht te nemen, zelfs tijdens z’n heilige inspanning als de constructie van het Tabernakel, omdat de Thora zegt (31,13): “ach èt-shabtotai tishmoroe…”Mijn Shabbatdagen moeten jullie stipt houden, want dit is een teken tussen Mij en jullie voor al jullie nageslachten, opdat men zal weten dat Ik de Eeuwige ben die jullie bijzondere wijding heb gegeven.”
Er is een algemene consensus onder onze geleerden dat de Thora aan het Joodse Volk was gegeven op de Shabbat.
Onze geleerden, in commentaar op de woorden jom hashishie – de zesde dag – Genesis. 1,31 hebben de zes dagen van de schepping beschreven als een periode waar gedurende alle aangelegenheden die G’D had gecreëerd, in een voorwaardelijke bezielende staat zou voortduren, tot aan het advent van het geven van de Thora en zijn acceptatie door 600.000 Israëlieten, waardoor het universum werkelijk bevoegd en geschikt werd om voort te bestaan. ( Shabbat 88 ) Toen Mozes in de Celestische Regionen verscheen om de Thora in ontvangst te nemen voor het Joodse Volk en de engelen hem uitdaagden, zei G’D tegen Mozes dat hij Zijn troon moest vastgrijpen. (Shabbat 88)
Dit was alleen mogelijk door de acceptatie van de Thora (Tien Geboden) door het Joodse Volk, wat hen tot voerders maakten van G’D’s merkawa. Israël werd daardoor G’D’s troon. Wanneer de Thora spreekt over “kie Tiessá et-rosh beneé jisraël” – “Als je de kinderen van Israël wil verheffen”, tracht de Thora ons duidelijk te maken dat de “telling”een bewijs is van de spirituele verheffing van het Joodse Volk. (Genesis. 30,12)

SHABBAT SHALOM

*** HET IS HOOGST AAN TE BEVELEN OM DE CONCEPTEN EN DOCTRINES VAN KABBALA TE BESTUDEREN OP ONZE WEBSITE IN HET ARCHIEF ONDER KABBALA EN CHASSIDISME.

Geef een reactie