PARASHAT KI TEETSÉE

Wanneer je uittrekt (Deuteronomium 21:10 – 25:19)

De klacht klinkt bekend in de oren. In de eenvoudige woorden van de Thora: “Wanneer iemand een opstandige en weerspannige zoon heeft die weigert naar zijn vader en moeder te luisteren, die ondanks alle straffen niet gehoorzaamt…” (Deut. 21, 18-2 1). De Thora zegt niet precies op welke wijze de zoon niet wil gehoorzamen. Wordt hij in verkeerd gezelschap gezien? Gebruikt hij drugs? Of ontloopt hij eenvoudig de verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven? Ook weidt de Thora niet uit over de argumenten die ,de opstandige en weerspannige zoon” gebruikt in zijn ongehoorzaamheid. We moeten evenwel aannemen dat de opstandige en weerspannige zoon niet stilzwijgend neerzit. Het kind moet zeker wat te zeggen hebben waarom het ontgoocheld is in de wereld van zijn ouders, hun manier van denken en handelen, en hoe het komt dat hij geen gehoor geeft aan hun wil en hun levensweg niet volgt.

Het geval van de opstandige en weerspannige zoon wordt in de Thora voorafgegaan door een ander geval, dat van ,een man die twee vrouwen heeft, van de ene meer houdt en van de andere minder en beiden hebben hem een zoon geschonken”. Dit geval volgt op dat van een soldaat die in de strijd gevangenen maakt. Onder de gevangenen ziet hij ,een mooie vrouw”, hij wordt verliefd op haar en wil met haar huwen.

Vroege commentatoren van de Bijbel zagen in de opeenvolging van de gevallen een zekere socio-psychologische reactieketen. Wanneer uit louter begeerte een man de verkeerde vrouw huwt, dan is het gevolg een gebroken huis, waar liefde en haat naast elkaar bestaan. Zulk een huis, verstoken van werkelijke liefde, moet die “weerspannige en opstandige zoon” voortbrengen.

De remedie die de Thora biedt voor het probleem van de generatiekloof is nogal drastisch: de ouders grijpen de zoon vast en brengen hem naar de poort bij de oudsten van de stad, terwijl ze verklaren: “Onze zoon is opstandig en weerspannig, hij luistert niet naar ons, hij is een losbol en een dronkaard” (v. 20).

Nadat de ouders publiekelijk hun zoon hebben aangeklaagd, “moeten zijn medeburgers hem dood stenigen. Zo zult gij het kwaad bij u uitroeien. Als de Israëlieten dit vernemen, zullen ze allen met vrees vervuld worden” (v. 21).

Deze radicale oplossing van het probleem van een weerspannige en opstandige zoon leek de Rabbijnen van Mishna en Talmoed niet erg passend. Zo verklaart de tweede-eeuwse Rabbijn Shim’on vrijmoedig: “Het geval van de opstandige en weerspannige zoon die wordt terechtgesteld kwam nooit voor en zal nooit voorkomen”.

De rabbijnen vinden het moeilijk om aan te nemen dat een zoon alleen verantwoordelijk zou zijn voor wat van hem werd. Een opstandige en weerspannige generatie moet mede het resultaat zijn van bepaalde houdingen van de gemeenschap waarin zij werd grootgebracht. Wanneer de rabbijnen dan, zoals ze steeds doen, elk woord apart onder de loep nemen, dan brengen ze een reeks beperkingen naar voren wanneer en hoe ouders terecht hun zoon publiekelijk in staat van beschuldiging kunnen stellen.

Rabbi Jehoeda zei (Mishna Sanhedrin 8, 4): “Als zijn moeder niet paste bij zijn vader, kan hij er niet van beschuldigd worden een opstandige en weerspannige zoon te zijn. Als één van hen [vader of moeder] verminkt was aan de hand, of lam, of stom of blind of doof, dan kan hij niet veroordeeld worden als opstandige en weerspannige zoon, want er staat geschreven: ‘dan zullen zijn vader en zijn moeder hun handen op hem leggen’ – daarom mogen ze niet verminkt zijn aan de handen; ‘en hem brengen’ – daarom mogen ze niet lam zijn;” enz…

In de Babylonische Talmoed (Sanhedrin 71a) groeit de lijst van beperkingen waardoor de veroordeling van de opstandige zoon nog moeilijker wordt gemaakt: “Als zijn moeder niet gelijkt op zijn vader in stem, blikken en beeldvorming, dan kan de zoon niet worden veroordeeld”.

Al deze beperkingen maken het nagenoeg onmogelijk om een opstandige zoon op een gegeven ogenblik terecht te stellen door hem te stenigen. Het geval dat in de Thora wordt vermeld dient echter als waarschuwing om de fouten in herinnering te brengen van de dertigplus-generatie, die onvermijdelijk een opstandige zoon voortbrengen.

Een dergelijke zoon kan niet de schuld worden gegeven wanneer de ouders “verminkt” zijn en ze geen vinger uitsteken om iets te veranderen aan de omgeving waarin hun kind opgroeit. De zoon kan niet de schuld worden gegeven als zijn ouders ,lam” zijn en hun weg voortzetten zonder iets op te geven van hun eigen welstand, met resultaten die ze later beklagen. De zoon kan niet de schuld worden gegeven wanneer zijn ouders “stom” of “blind” zijn, wanneer ze de problemen van jonge mensen over het hoofd zien of er zich niets van aantrekken, en wanneer ze hun stem niet verheffen om iets aan de situatie te veranderen wanneer het nog mogelijk is. Tenslotte kan de zoon niet helemaal de schuld gegeven worden voor het moeras waarin hij beland is als ouders “doof” zijn en niet kunnen of willen luisteren naar de stem van de jeugdige die roept om meer liefde en om meer begrip.

De opstandige zoon kan enkel in staat van beschuldiging worden gesteld en gestraft in een situatie waarin volledige overeenstemming en harmonie bestaat tussen vader en moeder in “stem, blikken en beeldvorming”.

Dat betekent dat, wanneer de ouders eenzelfde standpunt hebben en dus spreken met eenzelfde stem, wanneer ze een gemeenschappelijk zicht op de wereld hebben ontwikkeld en wanneer ze zich eenzelfde beeld hebben gevormd van de gemeenschap waarin hun zoon moet opgroeien, dat dan pas de opstandige zoon in staat van beschuldiging kan worden gesteld. Tegen de achtergrond hiervan begrijpen we waarom de Rabbijnen zeggen “dat de terechtstelling van de opstandige zoon door de wrede dood van steniging nooit voorkwam en nooit zal voorkomen”.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie