PARASHAT KI TAVÓ

Als je komt (Deuteronomium 26:1 – 29:8)

Heel wat personen in de Bijbel bidden. Hun gebeden zijn bijna zonder uitzondering spontane gebeden die gegroeid zijn uit een bepaalde situatie. Er zijn slechts weinige gebeden met vaste formules. Een van deze vaste gebeden staat in de traditie bekend als de “verklaring” die moet worden afgelegd bij het offeren van de eerste vruchten. De precieze formulering van de verklaring die moet worden afgelegd bij deze gelegenheid vinden we in Deut. 26, 1-11.

“Wanneer ge zijt aangekomen in het land dat de Almachtige uw God u in eigendom geeft, en wanneer ge het in uw bezit genomen hebt en er in gevestigd zijt, dan moet gij de eerste veldvruchten die ge oogst in het land dat de Almachtige uw God u schenkt, nemen… Gij moet naar de priester gaan die er in die dagen is, en hem zeggen: Heden verklaar ik voor de Almachtige mijn God, dat ik in het land ben gekomen dat Hij onze vaderen onder ede beloofd had”.

Daarna volgt een opsomming van de hoogtepunten uit de geschiedenis van Israël, beginnend met onze vader die een “zwervende Arameeër” was tot wij dit land bereikten na de bevrijding uit de slavernij van Egypte.

Dezelfde verklaring vinden we terug in de liturgie van de P’esachnacht, namelijk in de Haggada die het verhaal bevat van een volk op weg naar vrijheid. Het feit dat de Rabbijnen het gebruik van een en dezelfde tekst voorschreven voor de twee gebeurtenissen leert ons dat vrijheid pas dan volledig is wanneer men de eerste vruchten kan plukken als resultaat van het lange proces van bevrijding. Alleen wanneer men de eerste vruchten voor zich ziet kan men ondubbelzinnig zeggen: “Heden verklaar ik voor de Almachtige dat ik in het land ben gekomen”.

Pas vandaag is de geschiedenis die soms triest en zonder betekenis scheen, verlost. De dankzegging voor het land “dat de Almachtige uw God u schenkt” is slechts nu mogelijk, nu het gegeven land zelf ervan getuigt dat “gij het in bezit hebt genomen en ge er gevestigd zijt”. De eerste vruchten zijn namelijk het bewijs dat het in bezit nemen van het land werkelijk plaatsvond. De gave van de Almachtige en het zwoegen van de mens zijn verenigd in de vrucht die het land voortbracht. De vrucht is een bewijs van vrijheid en een goede reden om zich te verheugen.

Vreugde komt spontaan op wanneer men lang genoeg leeft om de eerste vruchten van zijn werk te zien. Waarom wordt dan in de Thora verordend (v. l l): “En ge zult u verheugen over al het goede dat de Almachtige uw God u gaf”. De werkelijkheid is zo dat we makkelijker bereid zijn om te kreunen en te klagen wanneer ons iets minder goeds overkomt, dan dat we bereid zijn om ons te verheugen als het omgekeerde zich voordoet.

Het is inderdaad een bijzondere gave van de Almachtige om zich over het goede te kunnen verheugen. Er zijn er die, wanneer er een druppeltje valt, beweren dat het flink regent. Anderen zeggen dat er een druppeltje valt wanneer het werkelijk regent. Beide typen passen niet bij een vrije persoon die pas begonnen is een nieuwe gezonde maatschappij op te bouwen in een nieuw land. “Verheug u over al het goede”. Zeg dank voor elke druppel van zegening wanneer het op je weg komt.

Toen de precieze bewoording voor de verklaring die moest worden afgelegd bij het aanbieden van de nieuwe vruchten eenmaal was vastgelegd, probeerden de Rabbijnen tijdens daarop volgende generaties in elk woord apart een bijzondere betekenis te vinden. Zo leidden ze uit de tekst af dat alleen die persoon die persoonlijk een deel van het land bezit, het recht heeft om de dankzegging uit te spreken voor de ,eerste vruchten die immers zonder het land nooit waren gegroeid.

Zij bepaalden ook in de Mishna (de eerste codificatie van de mondelinge joods wetten, circa 200 van de gangbare tijdrekening) dat een proseliet weliswaar mag deel hebben aan het aanbieden van de nieuwe vruchten, maar dat hij de tekst van de verklaring niet kan zeggen, aangezien daarin staat: “het land dat de Almachtige onze vaderen onder ede beloofd heeft”. “Onze vaderen” zijn uiteraard niet de voorvaderen van de proseliet.

Deze wetsbepaling die de proseliet in verlegenheid moet hebben gebracht, werd door de grote middeleeuwse wetgeleerde Maimonides teniet gedaan. Hij bepaalde in zijn Mishne’ Thora (Bikoeriem 4, 3) dat de proseliet, zoals iedere Israëliet, de eerste vrucht moet aanbieden en de volledige tekst van de verklaring opzeggen. Aangezien er geen enkel ander geval is waar Maimonides tegen de bepalingen van de Mishna ingaat, werd deze uitzondering vaak bediscussieerd in kringen van joodse geleerden, tot men enige tientallen jaren geleden een tot nog toe onbekende brief van Maimonides ontdekte en publiceerde.

In deze brief, die sindsdien vaak wordt geciteerd, richt Malmonides zich tot een proseliet, een Arabier met de naam Abdul-Alla, nu Ovadia (beide namen betekenen: dienaar van de Almachtige). De proseliet had zich tot Maimonides gericht met de pijnlijke vraag, hoe hij als afstammeling van heidenen de gebeden op de lippen kan nemen waarin geformuleerd stond:”onze God en de God van onze vaderen”. De God van Israël was toch niet de God van zijn voorvaderen?

In zijn antwoord legt Maimonides de proseliet op om de gebeden te reciteren zoals ze geschreven staan. Was Avraham zelf niet een proseliet, die zich van de afgoderij afwendde om de ware wegen van de Almachtige te bewandelen? Zo, aldus Maimonides “is Avraham in zekere zin de vader van de afstammelingen die zijn wegen volgen en van zijn leerlingen en alle proselieten”. Door tot het jodendom over te gaan, zo verzekert hij Ovadia nogmaals “is Avraham ook jouw vader en is er in geen enkel opzicht verschil tussen ons en jou”.

Jodendom is derhalve niet slechts voort te zetten door voortbrenging, maar ook door geloof. Omgekeerd zal iemand die zich bij het joodse volk aansluit, niet enkel een religieus geloof delen maar ook deel hebben aan de geschiedenis van het volk. Dit wordt duidelijk door Ruth, het prototype van de proseliet, wanneer ze op het punt staat om de godsdienst van haar schoonmoeder Na’omi te delen.

Ze zegt: “jouw volk zal mijn volk zijn”, zelfs voor ze zegt: “jouw God zal mijn God zijn”. Door zich aan te sluiten bij de joodse godsdienst, sluit de bekeerling zich aan bij het joodse volk en zijn geschiedenis, bij Avraham, Isaak en Jakob aan wie het land werd beloofd. Avraham, Isaak en Jakob zijn ook de voorvaderen van de proseliet. Hij kan daarom terecht bij het aanbieden van de eerste vruchten de volledige tekst uitspreken.

Deze visie van Mairnonides die tegen de Mishna ingaat wordt ondersteund door de idee van Rabbi Jehoeda die ( Jeruzalemse Talmoed, Bikoeriem 1,4) bij het vers:”Ik heb u tot vader van een menigte volkeren gemaakt” (Gen. 17, 5) noteert dat Avrahams vaderschap ook alle heidenen omvat die het geloof van Avraham delen.

SHABBAT SHALOM

Geef een reactie